Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

197

Hfdst. VIII § 15

verschuldigd, worden door de zorg der gemeentebesturen geïnd en aan het rijk verantwoord1).

Bij de koninklijke besluiten van 21 Februari 1906 (st.bl. no. 38) en van 17 Maart 1914 (st.bl. no. 150) zijn nadere bepalingen vastgesteld omtrent de pensioenen en die der weduwen en weezen van directeuren, leeraren en onderwijzers, op wie de wèt van 5 Juni 1905 (st.bl. no. 154) betrekking : heeft.

Wij stippen uit deze besluiten slechts het volgende aan. De bijdragen voor eigen en die voor weduwen- en weezenpensioen worden door de gemeentebesturen op de jaarwedden der belanghebbenden — bij de uitbetaling van eiken termijn voor een evenredig deel ingehouden Na

afloop van elk kwartaal wordt het gezamenlijk bedrag der in dat kwartaal ingehouden bijdragen bij een betaalmeester gestort. In de maand Januari van elk jaar worden door de gemeentebesturen de kwitanties der stortingen m het laatst verlodpen jaar met een gespecificeerde aanwijzing aan gedeputeerden gezonden2).

Het besluit van 21 Februari 1906 bevat nog meer bepalingen, welke voor de gemeentebesturen van belang zijn; wij meenen echter met het aangestipte te moeten volstaan.

Bij schrijven van den minister van binnenlandsche zaken van 25 Augustus 1906 zijn nog verschillende wenken gegeven, waarop bij de toepassing van het besluit van Februari 1906 gelet moet worden, doch die voor ons van minder belang zijn 3).

Draagt een Vermeerdering, van lesuren een beslist tijdelijk karakter, (bijv. bij waarneming van lessen van een zieken collega) dan wordt de deswege genoten verhooging van wedde niet in den pensioensgrondslag opgenomen.

Evenmin geschiedt dit, wanneer de wedde wordt verhoogd, voor het geven van lessen in een tijdelijke parallel klasse. Hierbij is aangenomen, dat — behoudens buitengewone omstandigheden — een parallel klasse slechts drie achtereenvolgende jaren (cursussen) als een tijdelijke wordt beschouwd. Bestaat zij langer, dan wordt zij als een blijvende aangemerkt. Alsdan wordt de belooning voor de lesuren in die klasse gegeven, in de vaste wedde opgenomen en de pensioensgrondslag daarmede in overeenstemming gebracht.

Wanneer een parallelklasse, die reeds als een. vaste werd beschouwd, gedurende zekeren cursus niet behoeft te worden gevormd, dan ondergaat [de vaste wedde — en dus ook de pensioensregeling — geen vermindering.

) Art. 33 der middelbaar-onderwijswet.

2 £f"- \ 10 ai}2. van ^ koninklijk besluit van 21 Februari 1906 (st.bl. no. 38). L r> f tiSl mss'ye^van °en minister van binnenlandsche zaken van 10 Juli 1906, 4 Juli 1908 B4 Uctober 1915 en 21 September 1916.

Sluiten