Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

199

HFDsrr. VIII § 16

Iing, thans ƒ 300 —, zijnde dit het door de wet gestelde maximum voor de rijks hoogere burgerscholen1).

De leden van de plaatselijke commissiën van toezicht op het middelbaar onderwijs worden door den gemeenteraad benoemd. Zij worden beëedigd door den kantonrechter, binnen wiens kring zij wonen. Zij zijn bevoegd van de overtreding der wet en der verordeningen op het middelbaar onderwijs proces-verbaal op te maken. De openbare en bijzondere scholen voor middelbaar onderwijs zijn steeds voor hen toegankelijk. De onderwijzers zijn gehouden hun de verlangde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs. Bij weigering is art. 184 van het wetboek van j strafrecht toepasselijk. De taak van de plaatselijke commissies is omschreven in art. 52. Zij houden toezicht op de middelbare scholen in de gemeente en bezoeken die ten minste twee malen 'sjaars; zij zien toe, dat de algemeene verordeningen op het middelbaar onderwijs en de bijzondere reglementen voor de hoogere burgerscholen stipt worden nagekomen; zij houden aanteekening van het onderwijzend personeel, het getal der leerlingen en den staat van het onderwijs; zij deelen den inspecteur de belangrijke veranderingen mede, die hebben plaats gehad in de scholen, in de gemeente igevestigd en geven hem alle inlichtingen ,die hij verlangt; zij doen zoowel aan den gemeenteraad als aan den minister van binnenlandsche zaken de ivoorstellen, die zij in het belang van het onderwijs noodzakelijk achten; zij doen jaarlijks vóór den len Maart aan den gemeenteraad een beredeneerd verslag omtrent den toestand van het aan hun toezicht toevertrouwd middelbaar onderwijs in het vorig jaar, en zenden daarvan afschriften aan gedeputeerde staten en aan den inspecteur of de inspecteurs met het toezicht op die scholen belast. Aan de plaatselijke commissie is niets dan het houden Kran toezicht opgedragen. Recht tot regeling of beheer der schoolaangelegenheden bezit de commissie niet.

De

plaatselij ke commissie van toezicht.

16. Algemeene bepalingen betreffende het hooger onder

wijs.

I Bij de behandeling van de wettelijke bepalingen betreffende het hooger De hoo,er onderwijs kunnen wij al heel beknopt zijn. onderwijswet. I Het hooger onderwijs is geregeld bij de wet van 28 April 1876 (st.bl. :no. 102), gewijzigd bij de wetten van 7 Mei 1878 (st.bl. no 33) 28 Juni 1881 (st.bl. no. 107), 15 Juni 1883 (st.bl. no. 75), 23 Juli 1885 (st.bl no 141), 15 April 1886 (st.bl. no. 64), 9 Mei 1890 (st.bl. no. 78), 9 Juli 1900 ist.bl. no. 113); vooral bij de wet van 22 Mei 1905 (st.bl. no. 141) zijn zeer ielangrijke wijzigingen en aanvullingen aangebracht. De tekst der wet *) Gem.stem no. 2126; weekbl. burg. adm. nos. 2245 en 2369.

Sluiten