Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 18

208

nijverheidsonderwijs.

'bi

01

& n

o

s

Openbare en bijzondere £ scholen.

I

i (

Dag- en avondscholen.

Voor de omschrijving wordt verwezen naar bladz. 204. Lager schoolonderwijs wordt gegeven aan de scholen, hiervoren op bladz. 206 en 207 genoemd onder de letters, a—e en middelbaar schoolonderwijs aan die aldaar onder ƒ— k genoemd.

Elk geschil of een school, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, behoort tot een dier groepen, wordt door de Kroon beslist.

Inrichtingen, onder de bedoelde letters niet genoemd, kunnen bi] koninklijk besluit onder een dier groepen worden ingedeeld. (Art.. 12.)

In de wet is geen definitie van lager en middelbaar nijverheidsonderwijs opgenomen; de wetgever meende, dat door de verschillende soorten van scholen in te deelen de scheidingslijn voldoende getrokken is.

De scholen voor nijverheidsonderwijs worden onderscheiden in bijzondere

en openbare. ,

De bijzondere scholen worden opgericht en onderhouden door rechtspersoonlijkheid bezittende instellingen of vereenigingen, de overige door het rijk of de gemeente, hetzij door ieder afzonderlijk, hetzij door beide in onderlinge samenwerking. (Art. 5.) ,

Op de provincies, welke voor het totstandkomen van de nijverheidsonderwijswet zooveel hebben bijgedragen tot de ontwikkeling, legt de wet geenerlei verplichtingen. In de memorie van antwoord werd dienaangaande opgemerkt, dat het geenszins in de bedoeling ligt de provincie uit te schakelen, doch het is zeer moeilijk dit lichaam zoo bindend bij de oprichting en instandhouding van verschillende scholen te betrekken, als dit voor de gemeente mogelijk is. Bovendien is der provincie ook geen invloed gegeven op het lager, middelbaar en hooger onderwijs. De werking van dit lichaam ligt op ander terrein en, waar vroeger de provincie wel bij enkele takken van dit onderwijs werd betrokken, heeft de wetgever van later de provincie eiken invloed op het gebied van het onderwijs ont-

nomen. .. f •

In de wet is nu aan de provincie de vrijheid tot medewerking op het gebied van dit soort onderwijs open gelaten, terwijl het met het oog op eenheid in organisatie gewenscht is, dat tevens de wijze, waarop harerzijds mede invloed op dit onderwijs zal worden uitgeoefend goed worde geregeld. Dat de provincie ook rechtstreeks scholen in stand zou gaan houden, schijnt, in verband met de historische ontwikkeling van ons onderwijs en met het oog op het terrein, waarop de directe belangen van de provincie liggen, niet gewenscht; dit is daarom niet toegelaten1).'

De regeering meende, dat het avondonderwijs bij den verkorten arbe.ds»• duur nog meer dan vroeger groote diensten zou kunnen bewijzen. Het

x) Vergelijk de memorie van antwoord, tweede kamer.

Sluiten