Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 18

214

Nettokosten.

Bezwaren, waartoe de uitwerking van het stelsel van subsidiëering aanleiding geert.

een nieuwe school betreft, dan moet alvorens zijn medewerking voor de totstandkoming te verleenen, het gemeentebestuur, voor zoover mogelijk, omtrent de noodzakeÜjkheid daarvan de betrokken organisaties van patroons en werklieden in die gemeente hooren. (Art. 25, derde hd.)

De scholen, die bij het in werking treden der wet in het genot zijn van een hooger rijkssubsidie, dan waarop zij ingevolge art. 25 aanspraak kunnen maken, behouden dit hooger subsidie zoo zij overigens aan de gestelde eischen voldoen. (Art. 67.)

Jaarlijks voor 1 Mei moeten volgens art. 27 der wet de school- en gemeentebesturen, die op rijkssubsidie krachtens art. 25 voor het volgend jaar aanspraak maken, hun daartoe strekkende aanvraag aan den minister ; zenden. Behoudens aanvulling, verrekening of terugbetaling na afloop van het dienstjaar geschiedt de. uitkeering van het rijkssubsidie bij voorschot.

In art. 26 der wet worden opgesomd de kosten, in welke het rijk bijdraagt. Het is niet noodig deze hier te noemen.

Art. 25, vierde lid, der wet, zegt nu, dat onder netto-kosten worden verstaan de kosten, bedoeld in art. 26, verminderd met de ontvangsten wegens subsidie van de provincie, contributien en bijdragen van particulieren en vereenigingen, opbrengst van werkstukken, schoolgelden en buitengewone inkomsten. Deze subsidies, contributies, bijdragen en opbrengsten komen dus voor 7Q of 75 percent ten voordeele van het rijk en voor 30 of 25 percent ten voordeele van de gemeente.

De uitwerking van het stelsel van subsidiëering uit 's rijks kas op de bovenaangestipte wijze heeft tot een drietal bezwaren aanleiding gegeven, waaraan de regeering wenscht te gemoet te komen door een ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling van de nijverheidsonderwijswet, ingediend bij koninklijke boodschap van 7 Mei 1921. Deze bezwaren worden hier aan de hand van de memorie van toelichting aangestipt.

Art. 25, dat het rijk tot het betalen van subsidie voor nijverheidsscholen noopt tot een bedrag van 70 pet. of, voor sommige categorieën van scholen, van 75 pet. der netto-kosten, mits de gemeente van vestiging in samenwer- j king met buitengemeenten eerst het ontbrekend bedrag van 30 pet of 25 pet. garandeert, legt in hoogste ressort de beslissing, of een school al dan niet tot stand zal komen, in handen van het bestuur der gemeente, j waar de school gevestigd zal zijn. Dit kan op zichzelf reeds voor de ontwikkeling van het nijverheidsonderwijs belemmerend werken, wanneer het gemeentebestuur in quaestie voor den bloei van dezen tak van onderwijs of voor een bepaalde school weinig voelt. Maar ook wanneer aan den goeden wii van het gemeentebestuur niet te twijfelen valt, kan de groote toeneming van de kosten, welke dit onderwijs vooral in de latere jaren

Sluiten