Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

215

Hfdst. VIII § 18

gaat vragen, het aan kleinere of minder kapitaalkrachtige gemeenten inderdaad onmogelijk maken dit offer uit de gemeentekas te brengen.

Daar komt bij, dat juist bij dit onderwijs de duurdere scholen (middelbare technische scholen, grootere ambachtsscholen, zeevaartscholen, speciale vakscholen enz.) bestemd zijn voor een zeker raijon te werken en haar leerlingen volstrekt niet bij uitsluiting of in hoofdzaak trekken uit de gemeente, waar de school gevestigd is. Naar de tegenwoordige redactie van art. 25 rust nu op de gemeente uit welke buitenleerlingen komen, geen enkele verplichting om in de kosten naar verhouding bij te dragen en zullen dus de gemeenten van vestiging zich gemeenlijk belast zien met zeer aanzienlijke kosten ten behoeve van leerlingen uit andere gemeenten afkomstig.

Konden nu nog de provinciale besturen, vereenigingen, die zich voor nijverheidsonderwijs interesseeren, particulieren enz. de gemeenten, in de kosten, welke aldus wettelijk voor haar rekening worden gebracht, door subsidiën en bijdragen steunen, dan zou in die richting uitkomst gezocht kunnen worden. Maar de regeling van het begrip „netto-kosten", die al dergelijke vrijwillige bijdrage in mindering brengt van het totaal der werkelijke kosten, voordat men het aandeel der gemeente van vestiging becijfert, maakt, dat die bijdragen in werkelijkheid voor 70 pet. (75 pet.) aan het rijk en dus slechts voor een gering bedrag aan de gemeente, die men zou willen helpen, ten goede zullen komen, hetgeen allicht op den wil van particulieren, vereenigingen en lichamen, die het nijverheidsonderwijs overigens wel zouden willen bevorderen, verflauwend moet inwerken.

De bepalingen betreffende de schoolgeldheffing komen in vele opzichten overeen met hetgeen daaromtrent ter zake van het lager onderwijs, het middelbaar onderwijs en het gymnasiaal onderwijs is gezegd. Voor de toelichting wordt daarnaar verwezen, terwijl hieronder slechts een overzicht volgt van de voor het nijverheidsonderwijs geldende bepalingen.

Van lederen leerling der van rijkswege gesubsidieerde scholen, met uitzondering van bedeelden en van hen, die schoon niet bedeeld, onvermogend zijn, moet schoolgeld geheven worden. De minvermogenden worden, indien het schoolgeld voor iederen leerling van dezelfde klasse gelijk is, slechts voor een gedeelte aan de heffing onderworpen. Het schoolgeld mag niet meer bedragen dan het gemiddeld bedrag van de kosten der school per leerling. Indien het niet voor iederen leerling van dezelfde klasse gelijk is, mag de hoogste klasse van schoolgeldheffing dit bedrag niet te boven gaan.

De bepaling van het schoolgeld geschiedt voor de gemeentelijke scholen door den gemeenteraad. Het invoeren, wijzigen en afschaffen van schoolgelden geschiedt, voor de gemeentescholen, met inachtneming van de artt. 232 tot en met 236 der gemeentewet. De invordering wordt geregeld door

Schoolgeldheffing.

Sluiten