Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

217

Hfdst. VIII § 18

diens geheelen leertijd niet meer mag bedragen dan de som van elk ambacht vak of beroep afzonderlijk door den minister te bepalen, tot een bedrag van ten hoogste tweehonderd gulden.

Het leergeld wordt geacht tevens te strekken ter vergoeding van de door den leerling verbruikte materialen en grondstoffen en ter tegemoetkoming in de door den patroon aan den leerling uit te keeren toelage 1).

De nijverheidsonderwijswet bevat voorts vele bepalingen omtrent de leerovereenkomst en de verplichtingen van den patroon.

Het toezicht op het nijverheidsonderwijs is, onder het oppertoezicht Het toezicht, van den minister, opgedragen aan een inspecteur-generaal en aan inspecteurs zoo noodig bijgestaan door adjunct-inspecteurs.

Voor zooveel het gemeentelijk onderwijs betreft, wordt bovendien toezicht uitgeoefend door ééne of meer plaatselijke commissiën, door den gemeenteraad te benoemen. Indien meer dan eene commissie wordt ingesteld, bepaalt de gemeenteraad, welke scholen onder het toezicht van iedere dezer commissiën behooren 8).

1) Vergelijk de artt. 39, 40 en 42 der wet.

2) Zie art. 57 der wet.

Sluiten