Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

223

Hfdst. IX § I

bewaarschool doormaken is gedurende de openbare beraadslaging in de tweede kamer (1921) na het eerste lid in art. 3 het volgende tweede lid opgenomen: „Door Ons kan, den onderwijsraad (afdeeling voor het algemeen vormend lager onderwijs en het bewaarschoolonderwijs) gehoord, ten behoeve van een kind, dat nog niet den leeftijd van acht jaren heeft bereikt,' een school of een groep van scholen, welke niet vallen onder de bepaling van het eerste lid van art. 2, voor de toepassing van het vorige hd met een lagere school worden gelijkgesteld, mits te Onzen genoegen wordt aangetoond, dat de ontwikkeling, op zoodanige school te bereiken, overeenkomt met ten minste die, welke te bereiken is in het eerste leerjaar eener lagere school."

De verplichting om te zorgen dat een kind als leerling op een lagere school is ingeschreven, eindigt, zoodra het land zeven jaren leerling eener lagere school is geweest en het alle klassen doorloopen heeft. (Art. 3, alinea 3, eerste gedeelte).

Bij de wijzigingswet van 1921 is de zevenjarige leertijd gekomen in de plaats van de zesjarige, welke de wet van 1900 voorschreef.

Zooals wij op bladz. 16 opgemerkt hebben, opent de lager-onderwijswet 1920 de gelegenheid om tot 1926 te wachten met het inrichten van het door die wet verplichtend gestelde zevende leerjaar. De zevenjarige leerverplichting werkt echter van 1 Januari 1922 af voor alle scholen. Ten opzichte van scholen met slechts zes leerjaren staat men in den overgangstijd voor niet te overbruggen bezwaren. In de tweede kamer is deze kwestie onder het oog gezien. Op hem dienaangaande gestelde vragen heeft de minister bij de openbare beraadslaging het volgende geantwoord: „De bestaande wet op het lager onderwijs zegt, dat men in de eerstvolgende vijf jaren nog recht heeft den ouden toestand te handhaven en nu kan het voorkomen, dan men in de eerste 5 jaren niet in de gelegenheid is om een 7de leerjaar in het leven te roepen, bijv. doordat het schoolgebouw niet kan uitgebreid worden, aangezien het tusschen huizen is ingebouwd. Het ligt in den aard der zaak dat, wanneer dan de onmogehjkbeid bij het departement blijkt om een zevende leerjaar in het leven te roepen, daaruit vanzelf voortvloeit, dat ook op de kinderen, die daar ter school gaan geen 7-jarige leerplicht toegepast wordt. Men moet in dit opzicht rekenen met de mogelijkheid en ook dit wetsontwerp moet zich bij het bestaande aansluiten. Maar ik leg er den nadruk op, dat wel deugdelijk moet zijn gebleken, dat een zevende leerjaar in de desbetreffende school niet kan worden gegeven en dat alleen dan, als dit het geval blijkt te zijn, dit zevende leerjaar vervalt".

•Na deze verklaring is de betrekkelijke bepaling aangenomen. Men zal dit derhalve als de bedoeling van den wetgever moeten aanmerken, hoewel

Het einde van het tijdperk gedurende hetwelk voldoend lager

onderwijs moet worden verstrekt.

Sluiten