Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

243

Hfdst. IX § 3

nister van binnenlandsche zaken van 12 Maart 1901 de bemoeiingen eener commissie tot wering van schoolverzuim zich uitstrekken over de kinderen, die in de gemeente of in het voor de commissie aangewezen deel der gemeente wonen of verblijf houden, onverschillig of die kinderen binnen het ambtsgebied der commissie of daar buiten schoolgaan.

De inrichting en de bewoordingen van art. 21 der wet is in 1921 aan een herziening onderworpen met het doel de redactie te vereenvoudigen zonder wijziging van den zin der bepalingen te beoogen. Deze herziening betreft ook een paar punten, waarop bij het benoemen der leden van de commissies tot wering van schoolverzuim gelet zal moeten worden, en waarop wij meenen te moeten wijzen.

Voor de wijziging in 1921 eischte de leerplichtwet, dat de gemeenteraad de commissiën tot wering van schoolverzuim zou benoemen uit de door haar genoemde vier groepen. Ook voortaan zal bij het benoemen der leden op bepaalde groepen gelet moeten worden, hoewel de redactie der betrekkelijke wetsbepaling heel anders geworden is. Het vierde lid van art. 21 luidt thans: „De leden worden benoemd uit de meerderjarige inwoners der gemeente. Daarbij wordt in de eerste plaats een keuze gedaan uit de personen, die ingevolge art. 1 aansprakelijk zijn voor het onderwijs der op een lagere school in de gemeente ingeschreven kinderen, uit de onderwijzers bij het openbaar en uit de onderwijzers bij het bijzonder lager onderwijs in de gemeente". Door deze omschrijving zullen onderwijzers, niet behoorende tot de inwoners der gemeente, na 1921 niet meer benoembaar zijn, wat voordien wel het geval was.

Bij missive van den minister van binnenlandsche zaken van 21 Maart 1901 is te kennen gegeven, dat onderwijzers aan openbare lagere scholen, benoemd tot lid eener commissie tot wering van schoolverzuim, ingevolge art. 38 der wet tot regeling van het lager onderwijs (art. 45 der lager-onderwijswet 1920) geen vergunning van gedeputeerde staten moeten vragen om dat lidmaatschap te mogen bekleeden. Immers nu krachtens art. 22 (thans art. 21) der leerplichtwet de onderwijzers aan openbare lagere scholen zoo mogelijk in elke commissie tot wering van schoolverzuim moeten worden vertegenwoordigd, kan er van een wettelijk verbod om het lidmaatschap eener dergelijke commissie te mogen bekleeden, geen sprake zijn.

In het vijfde lid van art. 22 is thans bepaald, dat de leden der commissie tot wering van schoolverzuim worden benoemd voor den tijd van drie jaren, met dien verstande, dat een tusschentijds benoemde aftreedt op het tijdstip van aftreding van dengene, wiens plaats hij inneemt en dat de aftredenden weder benoembaar zijn. Het voorschrift betreffende de aftreding van een tusschentijds benoemde op het tijdstip waarop zijn voorganger zou hebben

Het benoemen van de leden der commissies.

Sluiten