Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. IX § 3

244

Bepalingen van huishoudelijkenaard.

moeten aftreden, heeft men in 1921 ingelascht, omdat dit tot vereenvoudiging der gemeenteadministratie kan strekken. Aangezien de bestaande commissies, welker leden op zeer verschillende tijdstippen aftreden, bij het inwerkingtreden dér wijzigingswet op 1 Januari a.s., met ontbonden worden en in de wet geen vast tijdstip voor de aftreding is voorgeschreven, is deze vereenvoudiging al van heel weinig belang 1).

Art. 2 van het koninklijk besluit van 28 December 1921 schrijft voor, dat burgemeester en wethouders zooveel mogelijk voor ieder te vervullen plaats in de commissie aan den gemeenteraad een aanbeveling van ten minste twee benoembaren moeten zenden. Bevat de aanbeveling minder dan twee namen, dan deelen burgemeester en wethouders de reden daarvan aan den raad mede bij de inzending der aanbeveling. Van iedere benoeming moet, evenals van het ontstaan der vacaturen, zoo spoedig mogelijk mededeeling gedaan worden aan den commissaris des Konings in de provincie en aan den inspecteur.

Bij het opmaken dezer aanbeveling zullen burgemeester en wethouders er op moeten letten op het hierboven aangehaalde vierde lid van art. 21

der wet. _ .

Het koninklijk besluit van 28 December 1921 (st.bl. no. 1447) bevat voor de commissies tot wering van schoolverzuim verschillende bepalingen van huishoudelijken aard, waarvan hier slechts de volgende worden aangestipt.

Iedere commissie moet uit haar midden een voorzitter en een secretaris benoemen. Deze treden als zoodanig na één jaar af. De aftredenden zijn onmiddellijk herbenoembaar. Van de gedane benoemingen moet door de commissie onmiddellijk mededeeling gedaan worden aan burgemeester en wethouders en aan den inspecteur.

Vanwege de gemeente moet voor de vergadering van iedere commissie een lokaal beschikbaar gesteld worden, gelegen binnen den kring, waann zij haar werkzaamheden heeft te vervullen.

Andere uitgaven ten behoeve der commissie worden niet genoemd, toch zullen natuurlijk ten behoeve van de commissie tot wering van schoolverzuim nog wel andere uitgaven vereischt worden bijv. voor het te gebruiken materieel en zal het in vele gevallen nuttig zijn, dat aan den secretaris een toelage wordt gegeven en aan de leden presentiegeld wordt toegekend.

Bij de wet van 24 Juni 1901 (st.bl. no. 187) is de wet op het lager onderwijs van 1878 aangevuld met de bepaling, dat onder de kosten van het plaatselijk schooltoezicht ook begrepen zijn die voor de commissiën tot

i) In verschÜlende gemeenten zijn in 1922 ^t^^^^^6^^^ bij raadsbesluit de commissies ontbonden, opnieuw weer ingesteld en de leden M*"™"*Hoewel deze handelwijze geen wettelij ken grondslag heeft, is toch het dod, dat den wetgever voor oogen stond, hiermede'bereikt.

Sluiten