Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

247

Hfdst. IX § 4

weinig gemeenten (128) van deze bevoegdheid gebruik gemaakt hebber en dat vele van deze 128 verordeningen nooit of slechts heel zelden zijn toegepast. Toch is het niet tegen te spreken, dat, waar het straatslijpen of spijbelen nog niet geheel uitgestorven is, het nuttig kan zijn, dat aan de ambtenaren der politie deze machtiging gegeven wordt; een enkele maal zouden zij dan wat minder machteloos staan tegenover de baldadige jeugd.

Omtrent de verordening merken wij op, dat deze slechts een machtiging aan de politie kan geven, doch haar niet als plicht kan opleggen schoolverzuimers naar de school te brengen. Het al of niet gebruik maken van deze machtiging is aan de politie overgelaten; de lagere politieman, geleid door de instructies van zijn superieuren, zal ook hier, zooals in zooveel andere gevallen, met takt hebben op te treden.

Kan de verordening aan de ambtenaren van politie slechts een machtiging geven en hun niet een plicht opleggen, die machtiging kan zij meer of minder algemeen maken, aangezien de machtiging verleend moet worden onder bij de verordening te stellen voorwaarden. In de memorie van antwoord, tweede kamer, 1900, werd dienaangaande gezegd: „De vraag of deze bepaling uitsluitend betrekking moet hebben op kinderen, die zonder geleide of zwervend op den openbaren weg worden aangetroffen, blijve evenzeer ter beantwoording van het plaatselijk bestuur.

„De gemeenteraad kan, voor zooveel dit niet bij de wet is geschied, verbodsbepalingen omtrent het arbeiden van kinderen beneden de veertien jaren vaststellen."

Deze bepaling van het eerste lid van art. 35 der leerplichtwet is gelijkluidend met het eerste lid van art. 103 der wet tot regeling van het lager onderwijs van 1878 met dit verschil, dat daar gesproken werd van kinderen beneden de twaalf jaren. Deze verhooging van den leeftijd is een gevolg van de verlenging van den leerplicht, terwijl de bepaling daardoor aansluit bij de arbeidswet 1919, wélke door artikel 9 arbeid, in de beteekenis, welke die wet daaraan hecht, verbiedt voor kinderen beneden 14 jaar of nog leerplichtig.

Door art. 187 der lager-onderwijswet 1920 is art." 103 der wet van 1878 met ingang van 1 Januari 1921 vervallen en de overeenkomstige bepaling der leerplichtwet is daarin opgenomen krachtens de wijzigingswet van 15 October 1921 (st.bl.no. 1131), welke eerst met ingang van 1 Januari 1922 m werking treedt. Aan de plaatselijke verordeningen, houdende verbod van kinderarbeid, heeft derhalve gedurende het geheele jaar 1921 de wettelijke grondslag ontbroken.

Wij zullen ons thans niet verdiepen in meerdere interessante vragen van theoretische waarde, waartoe dit geval aanleiding kan geven. Aangezien

Verordeningen,houdende verbod van kinderarbeid.

Sluiten