Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. IX § 4

248

Aanmoediging van getrouw schoolbezoek door belooningen en eereblijken.

de verordeningen op den kinderarbeid, die voor 1922 bestonden, alle steunden op een vervallen wetsbepaling, zijn ze alle ingetrokken moeten worden.

Met betrekking tot een verordening steunende op art. 35 der leerplichtwet zij nog opgemerkt, dat zij alleen kan betreffen arbeid, welke niet valt onder de definitie, die art. 1 der arbeidswet 1919 van „arbeid" geeft1); dat zij alleen betrekking kan hebben op kinderen beneden de veertien jaren en niet ook, zooals de arbeidswet op nog leerplichtige kinderen, die reeds veertien jaar zijn; dat er geen wettelijk bezwaar tegen bestaat de verbodsbepaling te beperken tot kinderen beneden de twaalf of dertien jaar of verschil te maken tusschen jongens en meisjes; dat het in overeenstemming met de bedoeling van den wetgever geacht moet worden, dat de werkgever strafbaar gesteld wórdt; dat de verbodsbepalingen tot de schooluren beperkt mogen blijven.

Ook het tweede en het derde lid van art. 35 der leerplichtwet bevatten bepalingen, welke gelijkluidend zijn met hetgeen art. 103 der wet tot regeling van het lager onderwijs van 1878 bevatte. Deze wetsbepalingen geven aan het gemeentebestuur de bevoegdheid om door het uitloven van openbare belooningen en eereblijken het getrouwe schoolbezoek vanwege het gemeentebestuur aan te moedigen. Ten einde de aanspraak op die belooningen en eereblijken te kunnen beoordeelen, kan aan de hoofden der openbare en bijzondere scholen het invoeren van schoolboekjes, waarin van het schoolbezoek aanteekening gehouden wordt, bij plaatselijke verordening worden voorgeschreven. Na de invoering van de individueele kaart volgens het formulier, model Fll, bij de leerplichtbeschikking a) zal van deze bevoegdheid wel nimmer gebruik gemaakt worden.

Wij meenen er de aandacht op te moeten vestigen, dat ook deze bepaling uit de op 1 Januari 1921 vervallen wet op het lager onderwijs van 1878 eerst op 1 Januari 1922 in de leerplichtwet is overgegaan en er dus ook een jaar geweest is, dat zij niet bestond.

Er wordt verder op gewezen, dat in art. 55, onder letter j der lageronderwijswet 1920, als kosten van het openbaar lager onderwijs ook genoemd worden, die voor de belooningen en eereblijken, terwijl deze kosten niet genoemd worden in het vijfde lid van art. 101 dier wet en dus niet behooren tot die wélke krachtens die wetsbepaling door de gemeenten aan de schoolbesturen vergoed worden. Bovendien bepaalt het derde lid van art. 5 dier wet, dat de gemeenten aan bijzondere scholen voor gewoon en uitgebreid lager onderwijs, noch aan bijzondere inrichtingen tot opleiding van onderwijzers een geldelijke bijdrage of andere ondersteuning middellijk

r) Zie hiervoor het hoofdstuk van dit deel, waarin de arbeidswet 1919 besproken is. 2) Zie bladz. 235.

Sluiten