Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

249

Hfdst. IX § 4

of onmiddellijk mogen toekennen dan in de gevallen en onder de voorwaarden in de wet genoemd, dus ook geen vergoeding voor de kosten van belooningen en eereblijken. Het zal noodig zijn bij het uitvoeren van het tweede en het derde lid van art. 35 der leerplichtwet hierop te letten. Hoewel de bedoeling van den wetgever waarschijnlijk een andere is en het tweede lid van art. 35 daarop wijst, laten naar wij meenen, de duidelijke voorschriften der lager-onderwijswet 1920 geen andere opvatting toe, te meer met daar de artt. 36 en 37 voor kleeding en voeding en schoolbaden uitdrukkelijk een uitzondering inhouden.

Bij de behandeling van de lager-onderwijswet 1920 is er op aangedrongen, dat in de wet bepalingen zouden worden opgenomen betreffende schoolartsen, schoolverpleegsters, kindervoeding en -kleeding, schoolbaden, gezondheids kolonies e.d., alles geheel of ten deele op kosten van het rijk; en dat voor zwakke en herstellende kinderen gelegenheid zou worden gegeven om onderwijs te ontvangen in boschscholen. De minister meende er niet toe te mogen medewerken, dat in dergelijke zaken de school in de plaats van het gezin werd gesteld en de onderwijzer in de plaats van de ouders. Ten aanzien van sommige van deze punten was hij echter van gevoelen, dat een uitzondering gemaakt zou mogen worden, doch hij meende, dat dan met verder gegaan behoorde te worden dan voor het bevorderen van het schoolbezoek geëischt wordt en dat dan die regeling in de leerplichtwet thuis behoorde.

Als zoodanige uitzonderingen noemde hij in het bijzonder het medisch toezicht op de leerhngen in zoover dit het geregeld en met vrucht schoolgaan bevordert. Bij nota van wijziging is toen in het ontwerp der leerplichtwet een artikel van den volgenden inhoud opgenomen: „Ter bevordering van het schoolbezoek stelt de gemeenteraad een dienst in voor het geneeskundig onderzoek van schoolgaande kinderen, volgens regelen bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen. Deze dienst werkt gelijkelijk voor de openbare scholen en voor de bijzondere scholen, als bedoeld in art. 2 eerste hd, welker besturen het verlangen te kennen geven voor deze scholen van dien dienst te willen gebruik maken.

Dit artikel is later weer teruggenomen. Wat hier als een plicht werd opgelegd, is daardoor slechts een bevoegdheid gebleven.

Nog twee andere middelen in de leerplichtwet genoemd tot het middellijk bevorderen van het geregeld schoolbezoek, betreffende het verstrekken van voeding en kleeding en schoolbaden.

Art. 36 der wet, dat handelt over het verstrekken van voedsel en klee- H, ding aan schoolgaande kinderen, is geheel onveranderd gebleven. Het stl luidt: „Ter bevordering van het schoolbezoek is de gemeenteraad bevoegd U°

r-

m et i. n i-

g n

- Schoolartsen»

e

1

Het verstrekken van voeding en kleeding.

Sluiten