Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 1

252

Art. 146 der gemeentewet.

Art. 147 der gemeentewet.

Art. 148 der gemeentewet

aangehaald onder den naam van „armenwet". Deze wet heeft vervangen die van 28 Juni 1854 (st.bl. no. 100) tot regeling van het armbestuur, zooals die meermalen gewijzigd was. Voor de wet van 1854 tot stand gekpmen was waren in de gemeentewet reeds enkele bepalingen opgenomen, welke het armbestuur betreffen.

Art. 146 dier wet bepaalt, dat de gemeenteraad zich jaarlijks verslag laat doen van den toestand van alle in de gemeente aanwezige godshuizen1), gestichten van weldadigheid 2), genootschappen en andere instellingen van openbaar nut, die niet zijn rijks of provinciale instellingen of aan het algemeen of provinciaal bestuur onmiddellijk ondergeschikt zijn8). In de memorie van toelichting op dit artikel werd aangeteekend: „Ofschoon het artikel op de weigering van het doen van verslag geen straf stelt, mag niettemin van de bepaling nut worden verwacht. Zij zal het plaatselijk bestuur althans kennis doen krijgen van den toestand van die instellingen, wier bestuurders de openbaarheid niet schuwen en de wet naleven, zonder daartoe door bedreiging van boeten of gevangenis gedwongen te worden". Het nut, dat deze wetsbepaling opgeleverd heeft, is tot nog toe vrij miniem geweest.

De raad benoemt, volgens art. 147 der gemeentewet, op de wijze bij plaatselijke verordeningen te bepalen, de leden en beambten van. het bestuur der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, voor zoover deze benoeming niet aan anderen behoort. Uit de discussiën bij de behandeling van dit artikel in de tweede kamer gevoerd blijkt, dat de bedoeling van den wetgever is geweest, de vrijheid van den raad te dien aanzien in | alle opzichten te handhaven, het aan zijn prudentie overlatende ot h£ zich bij de benoemingen al of niet aan een voordracht binden wil, tenzij deze vrijheid oP wettige wijze, bijvoorbeeld door stichtingsbrieven of door j andere voor den raad verbindende voorschriften, geheel of gedeeltelijk aan banden gelegd is en het recht van voordracht bij anderen berust. Ook het schorsen en ontslaan van de door hem benoemden behoort naar de uitdrukkelijke bepaling der wet bij den raad. r De goedkeuring van den raad wordt ingevolge het bepaalde bij art. I4Ö • der gemeentewet vereischt op de begrooting en rekening der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, welke uit de gemeentekas onder- j stand genieten. In par. 4 van dit hoofdstuk, waar over art. 27 der armenwet gehandeld wordt, wordt nog even op deze bepaling der gemeentewet teruggekomen *). »'f

i) Zie omtrent godshuizen art. 83 der armenwet; bladz. 255 van dit deel.

*) 2e omtrent instellingen van weldadigheid art. 1 der armenwet; bladz. 254 en 255 van d.t deel.

*) Vergelijk de artt. 13 en 78 der armenwet.

*) Zie ook nog art. 14 der armenwet.

Sluiten