Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

253

Hfdst. X § 2

Voor overgegaan wordt tot het behandelen van de bepalingen der arp menwet, moet hier nog gewezen worden op art. 179, litt. t en a, der ge| meentewet waarbij tot de taak van burgemeester en wethouders wordt gebracht het toezien op het beheer der banken van leening en der godshuizen en andere instellingen van liefdadigheid, waarover door de wet op het armbestuur, den stichtingsbrief of andere verordening aan het gemeentebestuur toezicht is opgedragen en bij welke wetsbepaling zij belast zijn met het geregeld op onderscheidene tijdstippen in het jaar bezoeken van I al die inrichtingen en het doen van verslag daaromtrent aan den raad. Hoewel geen enkele wetsbepaling zulks verbiedt, is het met het oog op art. 179, litt. r en u, niet wenschelijk, dat een of meer der leden van het coUege j van burgemeester en wethouders lid zijn van het bestuur van een daar bedoelde instelling van weldadigheid. Immers in dit geval zou het college van burgemeester en wethouders geroepen zijn toezicht uit te oefenen en I inspectie te houden over de handelingen van zijn eigen leden.

§.2. De beginselen der armenwet.

De eerste armenwet dagteekent van 28 Juli 1854 en is opgenomen in

het staatsblad no. 100 van dat jaar. Deze wet heeft in de eerste jaren van | haar bestaan vele moeilijkheden opgeleverd. Dit kan alleen reeds blijken I uit de vele administratieve aanschrijvingen, koninklijke beslissingen en ! rechterlijke uitspraken, waartoe haar bepalingen aanleiding gegeven hebben.

De voorname oorzaak daarvan moet gezocht worden in de omstandigheid I dat volgens die wet de geboorteplaats het domicilie van onderstand was.

Daardoor moest aan het burgerlijk bestuur der verblijfplaats van den arme F de beschikking gegeven worden over de kas der gemeente, waar hij domi-

cihe van onderstand had. Vele armbesturen deden den arme, als hij zich ïaanmeldde om ondersteuning, eerst de vraag, waar hij geboren was. .En ■>leek uit het antwoord, dat hij elders domicilie van onderstand had, dan ■fcrerd zijn aanvrage soms op onbekrompen wijze ingewilligd. Dit stelsel

werkte zeer nadeelig, zoowel voor de geldmiddelen der gemeenten, als voor

de armen zelf. Deze werden bij de wetenschap, dat er verhaal van onderstand plaats had, van beweldadigden menigmaal eischers. Er zijn voorbeelden taan te wijzen, dat de arme, bij het bestuur zijner verblijfplaats niet kun| nende verlangen, wat hij wenschte, zich naar het bestuur van zijn geboorteIplaats begaf en hier een aanklacht indiende, welke niet altijd op de juiste jwaarde werd geschat. Verandering was dus dringend noodig. Van alle zijden Iwerd het verlangen daartoe kenbaar gemaakt en de regeering gaf najarenIJang onderzoek en na raadpleging van vele bescheiden en rapporten toe

aan den meermalen uitgedrukten wensch om het bestuur der verblijfplaats

Art. 179, t en u, der gemeentewet.

De armenwet ran 1854.

Sluiten