Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 2

254

Instellingen van weldadigheid.

tot onderstand van den arme te verplichten. Door de wet van l Juni 1870 (st.bl. no. 85) is de wet van 28 Juni 1854 (st.bl. no. 100) in dezen zin ge-

Tgde tegenwoordige wet, de wet van 27 April 1912 (st.bl. no. 165) die volgens art. 86 kon worden aangehaald onder den naam van „armenwet is dit beginsel behouden. .

Ingevolge art. 1 der armenwet zijn instellingen van weldadigheid in den zin der armenwet die, welke armenverzorging in of buiten gestichten voortdurend ten doel hebben. Op instellingen,, welke uitsluitend bestemd zijn tot het voorkomen van armoede, is de armenwet met van toepassing, doch onder de vorige wet is dikwijls de vraag gesteld ,n hoeverre de instellingen met een gemengd doel onder de wet vallen. Om twijfel dienaangaande af te snijden is thans in het tweede lid van art. 1 der wet bepaald, dat instellingen, welke tevens andere doeleinden dan armenverzorging beoogen als instellingen van weldadigheid worden beschouwd voor zoover • zij armenverzorging beoogen. ,

•De aanteekening van Boissevain op art. 1 der armenwet levert een goeden maatstaf, om te beoordeelen, of men met een instelling van weldadigheid te doen heeft. Daarom meen ik, hetgeen daar voorkomt, hier te moeten overnemen. Men vindt daar: „Naar aanleiding der tusschen regeenng en vertegenwoordiging gewisselde stukken (over de wet van 1854) meen ik te mogen aannemen, dat bij de beslissing der vraag, of een instelling i» een instelling van liefdadigheid tot leiddraad moeten strekken: 1 . dat de individueele liefdadigheid of de beschikking van een particulier over zijn eigendom, hetzij alleen of in vereeniging met anderen, buiten de wet valt; 2» dat het wettelijk armbestuur eerst begint met een instellmg van middelen tot een vaste en blijvende armverzorging bestemd en naar zekere regels bestuurd; 3°. dat vereenigingen voor een speciaal en voorbijgaand doel van onderstandnietonder wettelijke instellingen kunnen gerangschikt worden; 4°. dat genootschappen of vereenigingen, die voorschotten o ge delijke hulp verleenen met een ander doel dan voorziening m onderhoud daar evenmin toebehooren; 5°. dat het hoofddoel der mnchtmg in geregelde armenzorg moet bestaan en geen zoodanige m te termen dezer wet valt, die als een bijzaak of bij buitengewone gelegenheden ondersteuning van armen beoogt1); 6°. dat het evenwel mets ter zake doet of de, instelling in het dadelijk levensonderhoud van armen voorziet door mtdeeling van geld dan wel door het verschaffen van levensbehoeften ,n natura of door het geven van werk, mits met dit laatste met anders beoogd worde i) Door h* bepaalde in het tweede lid van art. 1 dér wet moet thans ten aanzien van dit punt eenig voorbehoud gemaakt worden.

Sluiten