Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 2

258

stand verleenen aan armen, dan na zich voor zooveel mogelijk te hebben verzekerd, dat zij dien niet van kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid konden erlangen én dan nog slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid. Hieruit volgt, dat het verleenen van onderstand uit burgerlijke fondsen niets anders was en mocht zijn dan politiezorg. In de memorie van toelichting bij de tegenwoordige armenwet werd er op gewezen, dat het beginsel van de volstrekte onvermijdelijkheid bedoelde er tegen te waken, dat iemand in de uiterste ellende hetzij den hongerdood zou sterven, hetzij zich aan de samenleving zou vergrijpen. De hulp moest, dit bracht het beginsel mede, niet verder reiken dan noodig was om dat gevaar te bezweren. Was dat doel bereikt, dan moest de hulp zich terugtrekken om straks weer opnieuw te helpen, wanneer de arme weer bij het eindpunt van den weg der ellende dreigde te komen, een recidive, die phychologisch noodzakelijk was, vermits de oorzaak van het gevaar krachtens het beginsel niet aangetast behoefde te worden.

Het behoeft geen betoog, dat dit beginsel is kortzichtig en duur. Gedurende de halve eeuw, dat het in Nederland heeft gegolden, is er dan ook ruimschoots gelegenheid geweest om het in deze gebreken te leeren kennen. Meermalen werd ellende niet gelenigd, omdat zij nog erger kon worden, vóór en aleer hulp volstrekt onvermijdelijk scheen. Jaar in, jaar uit werd een ziellooze en ontzielende bedeeling voortgezet, omdat de volstrekte onvermijdelijkheid niet vorderde, dat ook maar getracht werd de armen verder terug te brengen van den weg van pauperisme.

Intusschen, zóó star beginsel toe te passen bleek meermalen te gaan buiten het bereik van den mensch, die als orgaan van de wet zijn hart met het zwijgen kan opleggen. In de praktijk is — vooral in de latere jaren — de burgerlijke armenzorg herhaaldelijk getreden buiten de enge grenzen van het wettelijk beginsel en werd stoffelijke hulp op ruimer voet geboden..

Er ontwikkelde zich een aanvankelijk vrij stelsellooze praktijk, die ontgroeide aan de nauwe banden van de wet. In den laatsten tijd der werking van de wet van 1854 werd getracht, het persoonlijk element in de overheidszorg in te brengen door samenwerking met particuliere krachten. Dit alles kon evenwel niet anders dan beginwerk blijven, dat, hoe bescheiden ook, buiten de wet ging. De samenleving ontgroeide aan het wettelijk beginsel. Het hoofd- Voor de hoofdbeginselen der tegenwoordige armenwet met betrekking beginsel der tot de burgerlijke armenzorg werden in de memorie van toelichting de IT^Z volgende beginselen aangegeven: 1°. principieel moet de overheidszorg er betrekkmg niet op gericht zijn, dat de arme in nood gelaten wordt. Getracht moet alWrlijke thans worden, den arme uit zijn hulpbehoevendheid op te helpen, want armenzorg. ;n(};en fa Kt kan gezegd worden, dat het belang der maat-

Sluiten