Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 3

262

Kennisgeving der opheffing van een instelling.

Het inwinnen van inlichtingen.

een instelling van welcbdigheid binnen drie maanden na de oprichting door het bestuur schriftelijk kennis moet gegeven worden aan den armenraad en bovendien, voor zooveel betreft kerkelijke en bijzondere instellingen, aan burgemeester en wethouders. Binnen dertig dagen na de vaststelling worden aan het college, aan hetwelk deze kennisgeving moet worden gedaan, overgelegd de statuten, de stichtingsbrief of het reglement van de instelling. Wijziging van de statuten of van het reglement van een op de lijst geplaatste instelling, of wijziging van zoodanige instelling krachtens den stichtingsbrief wordt binnen dertig dagen, nadat zij tot stand is gekomen, door het bestuur medegedeeld aan den armenraad en bovendien, voor zooveel betreft kerkelijke en bijzondere instellingen, aan%rgemeester en wethouders.

Deze bepalingen gelden alleen voor nieuw opgerichte instellingen of bij wijziging der statuten of reglementen. Voor zooveel de bestaande kerkelijke en bijzondere instellingen betreft berusten krachtens de armenwet van 1854 bij de gemeentebesturen de bepalingen betreffende de inrichting en het bestuur dier instellingen x).

Het is niet duidelijk waarom men deze mededeeling van statuten enz. heeft voorgeschreven.

Uit de beraadslagingen over art. 7 der wet van 1854 blijkt, dat de regeering de bepalingen van dit artikel onmisbaar achtte, niet als een middel om een toezicht van overheidswege uit te oefenen, maar alleen om het burgerlijk bestuur van het bestaan van die instellingen en van den aard hunner werkkring kennis te doen dragen, opdat het weten zou, tot welke instellingen het zich bij voorkomende gelegenheden te wenden zou hebben en opdat het daarmede bij het stellen der regels voor het burgerlijk armbestuur rekening zou kunnen houden.

Ook van de opheffing van een instelling van weldadigheid moet kennis gegeven worden en wel binnen dertig dagen na de dagteekening van het besluit tot opheffing aan den armenraad en bovendien, voor zooveel betreft kerkelijke en bijzondere instellingen, aan burgemeester en wethouders. Die kennisgeving wordt gedaan, door hen, die met het bestuur belast waren toen de instelling werd opgeheven, of, bij gebreke van een bestuur, door hen, met de verevening belast zijn. (Art. 7 der wet.)

Bij gebreke van den armenraad of den beheerder van het register van inlichtingen (waarover hierna) moeten burgemeester en wethouders zich op verzoek van het bestuur van een instelling van weldadigheid, bij welke door een arme ondersteuning is gevraagd, wenden tot de besturen van de

*) Art. 7 der armenwet van 1854.

Sluiten