Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

267 Hfdst. X § 4

en het bevoegd kerkelijk of bijzonder bestuur gezamenlijk, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, indien de werking van de bepalingen van den stichtingsbrief aangaande het doel van een stichting moet worden geacht niet meer te beantwoorden aan het oogmerk van den stichter, met dien verstande evenwel, dat de regeling van het gebruik van de bezittingen en inkomsten in alle gevallen niet plaats heeft zonder vooraf verkregen toestemming der Kroon. De raad van state wordt gehoord.

Blijft de regeling van het gebruik van de bezittingen en inkomsten van een instelling van weldadigheid, welker doel is vervallen of bij welke de werking van de bepalingen van den stichtingsbrief aangaande het doel van de stichting moet worden geacht niet meer te beantwoorden aan het oogmerk van den stichter of zijn de goederen van een instelling van weldadigheid onbeheerd of wordt niet in het beheer van een instelling van weldadigheid voorzien, dan zullen gedeputeerde staten optreden en in een en ander onder koninklijke goedkeuring voorzien 1).

Als geschillen rijzen over de inrichting en bestemming van burgerlijke en gemengde instelling en over het recht tot benoemen, schorsen en ontslaan harer besturen, wordt daaromtrent door den Koning beslist na verhoor vanwege den Koning, zoo mogelijk dergenen, die bij het ontstaan van het geschil met het bestuur der betrokken instelling zijn belast. (Art. 74 der wet). tóy-

Men heeft uitdrukkelijk bepaald, dat de betrokken leden van het bestuur der instelling vanwege den Koning zullen worden gehoord, om daardoor mogelijk te maken, dat dit verhoor zal plaats hebben door de afdeeling voor de geschillen van bestuur van den raad van state.

De armenwet heeft in de artt. 22—26 voor de burgerlijke en gemengde instellingen van' weldadigheid bepalingen gesteld, welke de instellingen moeten beveiligen voor schade tengevolge van minder goed beheer.

In de eerste plaats heeft de wetgever voorgeschreven dat alle daarvoor vatbare goederen der burgerlijke instellingen en der instellingen van gemengden aard voor den koopprijs of de door deskundigen te schatten waarde tegen brandschade moeten worden verzekerd. Gedeputeerde staten kunnen echter van deze verplichting bij een met redenen omkleed besluit met betrekking tot bepaalde goederen ontheffing verleenen.

De beschikbare gelden moeten belegd worden, hetzij in inschrijvingen in een der grootboeken van de Nederlandsche schuld, hetzij onder goedkeuring van gedeputeerde staten in onroerende goederen of schuldvorderingen, gewaarborgd door het recht van eerste hypotheek op onroerende goederen,

Beslissing van geschillen.

Verzekering tegen

brandschade.

Belegging van gelden.

l) Artt. 8—11 der wet.

267

Sluiten