Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

269

Hfdst. X § 4

stemming te verleenen, kan het bestuur binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van gedeputeerde staten bij den Koning in beroep komen.

Als deze bepalingen van art. 24 toegepast worden zal in ieder voorkomend geval onderzocht behooren te worden, of bijv. bij het opzeggen van uitgeleende gelden en het wederbeleggen van de daardoor beschikbaar geworden gelden met het belang der instelling gerekend is en de voorschriften der wet zijn opgevolgd. In de wijze van belegging der gelden behoort niet dan om redenen van dringende noodzakelijkheid of onbetwistbare doelmatigheid verandering gebracht te worden x).

. Volgens art. 25 wordt ook machtiging van gedeputeerde staten gevorderd tot het oprichten van nieuwe of het vernieuwen van bestaande gebouwen en tot het doen van buitengewone herstellingen, waarvan de kosten worden berekend te boven te gaan een som door gedeputeerde staten te bepalen.

Alle werken, die een uitgaaf vorderen van meer dan vijfhonderd gulden, moeten in het openbaar aanbesteed worden, tenware gedeputeerde staten in bijzondere gevallen in het belang der betrokken instelling toestaan, dat daarvan worde afgeweken. Ook in deze gevallen is van de beslissing van gedeputeerde staten hooger beroep op den Koning.

In art. 26 vindt men geregeld de aansprakelijkheid der bestuurders als bij hef uitoefenen van het hun opgedragen beheer een bestuur zich schuldig maakt aan grove nalatigheid of handelt in strijd met de bepalingen van de artt. 22—25, welke hierboven zonder veel commentaar zijn weergegeven of met het koninklijk besluit van 18 Juni 1912 (st.bl. no. 264). De bestuurders zijn dan hoofdelijk voor het geheel jegens de instelling aansprakelijk voor de schade, die zij haar veroorzaakt hebben, voor zoover zij niet ten genoege van den rechter aantoonen, het hunne te hebben gedaan tot voorkoming van de schade, of wel buiten staat te zijn geweest, tegen die schade te waken. Het openbaar ministerie kan in het belang van een instelling ambtshalve de vordering, hieruit voortspruitende, instellen. De rechter kan de gewraakte handeling nietig verklaren of gelasten, dat zij ongedaan worde gemaakt, met veroordeeling van bestuurders hoofdelijk voor het geheel tot vergoeding van de schade, die daaruit voor de instelling voortvloeit.

Bij de zaken op bladz. 268 aangestipt is het gemeentebestuur niet onmiddellijk betrokken.

Van meer belang voor ons doel is art. 27; daarbij wordt bepaald, dat on- 1 verminderd de bepaling van art. 148 der gemeentewet de begrootingen ' en rekeningen van ontvangsten en uitgaven der burgerlijke en gemengde instellingen onderworpen zijn aan de goedkeuring van den gemeenteraad.

Stichten van nieuwe

gebouwen enz Openbare aanbesteding.

Aansprakelijkheid der bestuurders.

De begrooting en de rekening.

') Vergelijk een koninklijk besluit van 6 October 1899 en een van 31 October 1899.

Sluiten