Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 6

274

Bronnen van inkomst.

Collecten.

denen omkleed en is het onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Voor benoeming en schorsing van deze gemeenteambtenaren gelden de bepalingen der gemeentewet onverkort.

§ 6. De geldmiddelen der instellingen van weldadigheid.

De inkomsten der instellingen van weldadigheid bestaan uit de opbrengst van hetgeen naar het burgerlijk recht eigendom dier instellingen is, uit vrijwillige bijdragen en uit subsidiën.

De wetsbepalingen, welke de vrije beschikking van de gemeentelijke en gemengde instellingen van weldadigheid, over hetgeen haar als burgerlijk rechtspersoon in eigendom behoort, aan het toezicht van gedeputeerde staten onderwerpen, zijn in paragraaf 4 genoemd.

Voor zoover de vrijwillige bijdragen verkregen worden door openbare inzameling van gelden ten behoeve van een instelling van weldadigheid bijwege van collecten, inschrijvingen of op eenige andere wijze, bepaalt art. 15 dat dit niet mag plaats hebben, dan nadat daarvan minstens driemaal vier en twintig uren te voren schrifteUjk kennis gegeven is aan burgemeester en wethouders. Deze zijn bevoegd de inzameling te stuiten. Het bestuur der betrokken instelling kan tegen de sluiting bij den Koning in beroep komen.

Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op collecten in kerkgebouwen bij de uitoefening van den openbaren eeredienst en die voor instellingen eener kerkelijke gemeente, enkel .aan de huizen van de lidmaten dier gemeente.

In de memorie van beantwoording, armenwet 1854, zeide de regeenng, dat zij het raadzaam achtte de beslissing omtrent de noodzakelijkheid van . het stuiten eener collecte niet aan den burgemeester alleen, maar aan burgemeester en wethouders op te dragen. Die beslissing is van genoegzaam gewicht om door meer dan één persoon te worden genomen. Bij het sectieonderzoek in de tweede kamer wees men op de moeilijkheid eener stuiting door geweld en op het ontbreken eener strafbepaling. De regeering antwoordde, dat men, door het gemeentebestuur gewaarschuwd, wel niet met de inzameling zoude voortgaan en de politie haar anders zonder bezwaar zoude kunnen beletten.

In het koninklijk besluit van 5 October 1901 werd overwogen, dat de armenwet in art. 13 (thans 15) het houden van openbare inzamelingen van gelden niet meer afhankelijk makende van een voorafgaande vergunning, maar slechts voorafgaande kennisgeving aan het gemeentebestuur voorschrijvende, behoudens de bevoegdheid van dit bestuur om de inzameling

Sluiten