Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bezittingen en inkomsten als het doel van een instelling vervallen is.

De bezittingei en inkomsten van vervallen burgerlijke instelling.

Hfdst. X § 6 276

c. dat ten behoeve van de instelling op redelijke wijze is en wordt bijgedragen door hen, van wie overeenkomstig haar aard in den regel bijdragen verwacht kunnen worden en dat haar bestuur heeft gedaan en blijft I doen, wat in zijn vermogen is, om die bijdragen te doen toenemen;

d. dat het bestuur van de instelling overeenkomstig haar aard en bestemming aan zijn verplichtingen naar vermogen voldoet;

e. dat de instelling, indien een armenraad bestaat en zij tot vertegenwoordiging daarin gerechtigd is, van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Indien het doel van een instelling van weldadigheid is vervallen, wordt het gebruik van haar bezittingen en inkomsten, zoo in de statuten of in den stichtingsbrief niet in bet geval is voorzien of het daarin aangegeven vervangend doel mede is vervallen, tot een andere, aan de laatstbeoogde zoo I nabij mogelijk komende bestemming geregeld ten aanzien van:

a. een burgerlijke instelling door de burgerlijke overheid, door of vanwege welke zij bestuurd wordt, onder goedkeuring van gedeputeerde staten;

b. een kerkelijke instelling door het bevoegde bestuur;

c. een bijzondere instelling door de oprichters en, bij ontstentenis of onbekendheid van deze, door de bestuurders, in het laatste geval onder goedkeuring van gedeputeerde staten;

d. een gemengde instelling door de bevoegdè burgerlijke overheid en het bevoegd kerkelijk of bijzonder bestuur gezamenlijk onder goedkeuring van gedeputeerde staten. (Art. 8, eerste lid).

. Men moet, zooals bij koninklijk besluit van 2 September 1873 (st.bl. no. 125) is opgemerkt, niet uit het oog verliezen, dat de wet de bevoegdheid van de gemeentebesturen ten aanzien der instellingen van weldadigheid, onder letter a van art. 2 omschreven (burgerlijke instellingen), niet verder heeft willen uitstrekken dan tot het regelen van het gebruik van haar bezit- \ tingen en inkomsten, terwijl de gewisselde stukken (armenwet 1854) duidelijk aantoonen, dat aan de gemeentebesturen ook in dit geval de beschikking over het eigendomsrecht dier goederen niet toekomt en allerminst een I zoodanige beschikking, waardoor het armengoed aan zijn bestemming wordt onttrokken, zoodat bij opheffing van een burgerlijk armbestuur de bezit- I tingen op naam van dat armbestuur moeten blijven en niet op naam der gemeente mogen overgeschreven worden. Alleen aan de revenuen, die de j bezittingen van de instellingen van weldadigheid afwerpen, kan, als het j doel dier instellingen vervallen is, volgens de leer van het koninklijk besluit» van 1873 een andere bestemming gegeven worden.

Ten aanzien van de burgerlijke instellingen dringen nog een paar vragen

naar voren.

276

Sluiten