Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

277

Hfdst. X § 6

In de eerste plaats de vraag: kan het doel van een burgerlijke instelling van weldadigheid vervallen?

De raad van state kwam in zijn advies van 25 April 1882 tot de conclusie, dat het doel eener instelling van weldadigheid alleen dan gezegd kan worden vervallen te zijn, wanneer de soort van behoefte, waarin zij bestemd is te voorzien, op het terrein, waarvoor zij werkt, niet meer bestaat en niet meer te verwachten is. Zij, die beweren, dat het doel van een burgerlijke in| stelling niet kan vervallen, denken naar mij voorkomt, te veel aan die bur| gerhjke armbesturen, welke armenzorg in het algemeen ten doel hebben en niet ook aan die, welke zich slechts met een gedeelte van de armenzorg bemoeien, bijv. met de zorg voor weduwen, weezen of ouden van dagenen toch behooren tot die vermeld in art. 2, letter a, der wet. Als voor deze zorg bijv. een partikuliere instelling, welke over de noodige fondsen beschikt, in het leven geroepen wordt, of wel de algemeene rijbpensionneering van ; weduwen, weezen en oude menschen ingevoerd wordt, dan zal het doel van zoodanige instelling vervallen kunnen zijn. Art. 8, sub a, veronderstelt dan ook de mogelijkheid dat het doel van zoodanige instellingen vervallen kan.

In de tweede plaats de vraag, welke bestemming in zoodanig geval aan de bezittirigen en inkomsten der instelling gegeven mag worden. Dit moet i een bestemming zijn aan de laatst bekende zoo nabij mogelijk komende. Deze bestemming is geweest aangewend te worden voor een bepaald doel ten nutte van het algemeen, zonder eenig verschil van godsdienstige of politieke overtuiging. De aanwending ten nutte van het algemeen zal het best tot haar recht komen als de burgerlijke gemeente de beschikking over die gelden krijgt, met verplichting ze aan te wenden voor doeleinden aan de primitieve bestemming zoo nabij mogelijk komende. Nu wil ik gaarne toegeven, dat ook soms aan de wet voldaan kan worden door de bedoelde bezittingen en inkomsten aan een andere instelling niet behoorende tot die m art. 2 onder letter a genoemd toe te kennen, doch ik kan mij niet vereenigen met de meening, dat het niet met de wet te rijmen zou zijn ze aan de burgerlijke gemeente toe te wijzen 1).

Het doel, waarmede een instelling van weldadigheid in het leven is ge- Anachroroepen, kan vervallen, doch zonder dat dit doel vervalt, kan door veran- !"st,J*e derde maatschappelijke verhoudingen en toestanden toch een anarchronisme ™ weT" ontstaan, dat niet kan bestendigd blijven zonder schade te berokkenen • aan de armenverzorging. Door het tweede lid van art. 8 is een bescheiden stap gedaan om mogelijk te maken, dat oude instellingen meer zullen aangepast kunnen worden aan huidige toestanden. Deze wetsbepaling luidt:

L1) VergeKjl.de koninklijke besluiten van 11 Mei 1883, no. 34; weekblad burg. adm. no. 1783 Kie ook het advies van den raad van state van 25 April 1882; weekblad burg. adm. no. 1556.

Sluiten