Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 6

278

Voorzieningen bij nalatigheid

Het verhaal van verleende ondersteuning

„Het bepaalde in het eerste lid is mede van toepassing, indien de werking van de bepalingen van den stichtingsbrief aangaande het doel van een stichting moet worden geacht niet meer te beantwoorden aan het oogmerk van den stichter, met dien verstande evenwel, dat de regeling van het gebruik van de bezittingen en inkomsten in alle gevallen niet plaats heeft zonder Onze vooraf verkregen toestemming. De raad van state wordt door Ons gehoord.

Als de regeling van het gebruik van de berittingen van een instelling j van weldadigheid, welker doel is vervallen of welker doel geacht moet worden niet meer te beantwoorden aan het oogmerk van den stichter; indien goederen van een instelling van weldadigheid onbeheerd zijn of indien in het beheer van een instelling van weldadigheid niet is voorzien, geschiedt een en ander door gedeputeerde staten onder koninklijke goedkeunng bij met redenen omkleed besluit, dat in de Nederlandsche staatscourant wordt geplaatst. (Artt. 9, 10 en 11 der wet.)

Hetgeen een instelling van weldadigheid aan een armlastige heeft ten koste gelegd, dient door dezen of door zijn betrekkingen, op wie de onder- , houdsplicht rust, teruggegeven te worden, indien hij of zijn bedekkingen daartoe in staat zijn of in staat geraken. Geschiedt dit niet vrijwillig dan j geeft de armenwet de regels aan voor de wijze, waarop de kosten der ondersteuning op hem verhaald kunnen worden volgens een zeer vereenvoudigde wijze van procedeeren.

De kosten van verzorging van een arme, door een instelling van wel- j dadigheid of een gemeente gemaakt, uitgezonderd loon voor arbeid, j kunnen worden verhaald op den ondersteunde, indien hij tot teruggave daarvan in staat is, of op zijn nalatenschap, alsmede op hem, die ingevolge de wet tot zijn onderhoud gehouden zijn x). (Vergelijk art. 63).

Naar aanleiding eener in het voorloopig verslag der tweede kamer gestelde vraag, antwoordde de minister, dat de ruime bewoordingen van den aanhef van art. 63 het naar zijn meening buiten allen twijfel stellen, dat . de bepaling ook slaat op kosten van verpleging in een godshuis, die niet ingevolge de artt. 69 en 70 (zie bladz. 280) verhaald kunnen worden.

Bij een arrest van 30 Mei 1913 heeft de hooge raad beslist, dat niet ieder van hen, die ingevolge de wet tot onderhoud gehouden is, voor het volle bedrag kan aangesproken worden, omdat de armenwet enkel de personen aanwijst tegen wie het verhaalsrecht kan worden uitgeoefend, maar uit niets blijkt, dat de verplichting tot teruggaaf van de verpleegkosten (het betrof een krankzinnige) ondeelbaar is. Ieder der betrokkenen kan derhalve voor niet meer dan een evenredig deel worden aangesproken.

i) I„ verband met de verphchting tot onderhoud zie men de artt. 162, 200, 201, 344a, e en ƒ, 353, 361, 376, 377, 378 en 383 van het burgerlijk wetboek.

Sluiten