Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 7

280

Verhaal van kosten bij verpleging in godshuizen.

Samenwerking tusschen onderscheideneinstellingen van

weldadigheid is noodzakelijk

De beginselen, waarop de armenraad rust.

De inkomsten van bezittingen van weezen, vondelingen, verlaten kinderen en andere armen, verpleegd in godshuizen x), kunnen, gedurende den tijd der verpleging, worden genoten door de instelling, die de verpleging bekostigt, doch slechts tot een bedrag, op verzoek van het bestuur van laatstbedoelde instelling vast te stellen door den rechter van het kanton, binnen hetwelk die instelling haar zetel heeft.

Op de nalatenschap van hen, die zijn verpleegd geworden in godshuizen, kunnen de kosten dier verpleging en der begrafenis worden verhaald, voor zoover die niet reeds ingevolge dat artikel zijn vergoed.

Voor zooveel het betreft de verpleging van meerderjarigen in een godshuis, kan bij overeenkomst van deze bepalingen worden afgeweken 2).

§ 7. Samenwerking tusschen instellingen van weldadigheid.

Het Nederlandsche volk heeft zich steeds gekenmerkt door twee karaktertrekken: groote weldadigheidszin, die voor bijna iederen vorm van menschelijk lijden ook een vorm van leniging zocht te vinden, en sterke zucht naar onafhankelijkheid. In de praktijk der liefdadigheid leidde dit tot overvloed van liefdadige instellingen, die alle op zichzelf werkten, zonder onder'ling verband of zelfs onderlinge bekendheid. Bij het toenemen van den omvang der armoede en van de ingewikkeldheid van het maatschappelijk leven, wreekte deze versnippering van krachten zich in twee richtingen. In de eerste plaats tegenover de armen. Herhaaldelijk toch wordt een arme door onderscheidene instellingen tegelijk doch zonder onderling verband geholpen. Gedeeldheid verzwakt in die gevallen de kracht, die tot heil van den arme kon worden aangewend. In de tweede plaats tegenover de instellingen. De groote verscheidenheid van onsamenhangende instellingen lokt de slimmen en de luien uit, om partij te trekken van haar onderlinge onbekendheid en onverdiend zich in ruime mate te laten ondersteunen tot schade van de eerlijke armen, voor wie de middelen te kort schieten. (Memorie van toelichting 1912).

Voor een goede armenverzorging moeten de onderscheidene instellingen van weldadigheid veelvuldig met elkander in aanraking komen. Daartoe is in de wet opgenomen het instituut van den armenraad. Deze moet dienen om de onderlinge aanraking en samenwerking tusschen de onderscheidene instellingen van weldadigheid, met eerbiediging van ieders eigen karakter te bevorderen.

In de memorie van toelichting werden de volgende drie beginselen genoemd voor de inrichting en de werkzaamheid van den armenraad.

*) Zie bladz. 255.

*) Vergelijk de artt. 69, 70 en 71 der wet.

■■■■I

Sluiten