Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

281

Hfdst. X § 7

In de eerste plaats moet dwang tot deelneming tegenover de liefdadigheid zijn uitgesloten, vermits de geest tot samenwerking niet kan worden afgedwongen. De deelneming aan den raad — het zenden van vertegenwoordigers — sta voor alle instellingen van weldadigheid open, maar moet afhankelijk blijven van het vrije inzicht der besturen. In één opzicht zal het ledental beperkt zijn. Alleen instellingen, die armenverzorging buiten gestichten ten doel hebben, zullen een vertegenwoordiger kunnen aanwijzen. Daarmede kan worden volstaan omdat alleen bij de armenzorg buiten gestichten de behoefte aan samenwerking zich doet gevoelen.

In de tweede plaats moet de zelfstandigheid van de deelnemende instellingen volstrekt gewaarborgd blijven. Een armenraad zal nimmer dwingende bevoegdheden mogen hebben. Alleen dan is de kans op ruime deelneming groot..

In de derde plaats zal de armenraad moeten zijn adviseerend college, behalve met betrekking tot het bureau van inlichtingen, dat middel moet zijn tot wering van misleiding. Bestond aanvankelijk het inzicht, dat het bureau van inlichtingen, het zoogenaamde register van informatie, een afzonderlijke tak* van dienst moest zijn, waarvan het beheer wellicht aan den armenraad kon worden toevertrouwd, nadere overweging heeft daarin wijziging gebracht. De inlichtingendienst zal een wezenlijk deel zijn van de taak, die aan het centraal orgaan voor samenwerking wordt opgelegd. Alleen in die gemeenten, waarvoor een armenraad niet is ingesteld, zullen burgemeester en wethouders bevoegd zijn, om een register van informatie in te stellen.

Het instituut voor de samenwerking tusschen de verschillende instellingen van weldadigheid is zooals reeds gezegd de armenraad. Dit is voor de armenverzorging een belangrijk instituut. De gemeentebesturen hebben als zoodanig met den armenraad niet veel uit te staan, daarom hier slechts eerst zoo beknopt mogelijk een overzicht van de bepalingen betreffende de inrichting van den armenraad en daarna van zijn functies.

In een gemeente of voor eenige gemeenten of gedeelten van gemeenten te zamen kan bij koninklijk besluit een armenraad worden ingesteld.

Iedere instelling van weldadigheid, welke voorkomt op de lijst, bedoeld in art. 3 en binnen het ambtsgebied van den armenraad armenverzorging buiten gestichten ten doel heeft, is bevoegd een vertegenwoordiger in den raad aan te wijzen. De burgerlijke instellingen zijn tot die aanwijzing verplicht. Bij gebreke van burgerlijke instellingen wijzen burgemeester en wethouders een vertegenwoordiger aan.

De inrichtingvan den armenraad.

) Zie bladz. 255 en volgende.

Sluiten