Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI

NIJVERHEID, HANDEL, LANDBOUW, ARBEID EN SOCIALE VERZEKERINGSWETTEN

1. De hinderwet.

Nijverheid, handel, landbouw, arbeid en sociale verzekering.

De hinderwet

Vrijheid van nijverheid, arbeid, handel en landbouw is een mooie leus, welke zooveel mogelijk in eere gehouden moet worden. Het is evenwel de taak van den wetgever te zorgen, dat die vrijheid nimmer in losbandigheid ontaardt en niet zoover gaat, dat anderen onnoodig schade lijden, of wel zedelijk of lichamelijk nadeel van die vrijheid ondervinden. De wetsbepalingen, welke voor nijverheid, arbeid, handel of landbouw regels stellen, kunnen strekken tot ontwikkeling van die takken van volksbestaan, of ook wel het belang der openbare rust, veiligheid en gezondheid zoowel van de onmiddellijk betrokkenen als van de omgeving kan rechtvaardigen, dat de vrijheid van nijverheid, arbeid, handel en landbouw niet geheel onbeperkt wordt gelaten.

De wettelijke bepalingen, welke voor de nijverheid, arbeid, handel en landbouw, hetzij in het belang van die takken van volksbestaan zelf, hetzij in het algemeen belang der maatschappij, in het leven zijn geroepen, hopen wij in dit hoofdstuk te behandelen, doch slechts in zoover, als zij meer onmiddellijk tot de gemeentelijke administratie in betrekking staan.

In de laatste jaren hebben zich hierbij gevoegd een groep wetten tot verzekering van de geldelijke gevolgen, welke letsel door de arbeid verkregen, verlies van arbeidskracht, of gebrek aan gelegenheid tot arbeiden voor den arbeider kunnen hebben. Deze groep wetten zal waarschijnlijk nog wel uitgebreid worden. Ook van deze wetten zullen in dit hoofdstuk de algemeene beginselen aangegeven worden, terwijl die bepalingen, welke voor ons van belang zijn meer uitvoerig zullen besproken worden. *. In de eerste plaats komt dan hier ter sprake de wet van 2 Juni 1875 (st.bl. no. 95), gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 19 December 1876 (st.bl. no. 255), 26 April 1884 (st.bl. no. 81), 15 April 1886 (st bl. no. 64), 4 September 1896 (st.bl. no. 152), 24 Juni 1901 (st.bl. no. 161), 16 Julil907 (st.bl. no. 216), en 1 Juli 1909 (st.bl. no. 246).

De aan het hoofd dier wet geplaatste titel is minder welluidend dan duidelijk. Er wordt daar gesproken van: „wet tot regeling van het toezicht

Sluiten