Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poëzie een heiligschennende vermetelheid is. Die twee uit* spraken dekken elkaar. Ook beroept zich de liberale kritiek op de „bevoegdheid" van de Beiaard*man om alle jonge katholieke kunst in de ban te doen. Dat de jonge Neder* landsche Katholieken niet desespereeren: hun eenig waar* en waardemerk is niet Dirk Coster, noch Gerard Brom, noch Carel Scharten, maar de Heer#Jezus zelf in de veel* vuldige H. Kommunie, onder welk kommando onze lading uitvaart.

— Een meneer „F. L. raadt in „Nieuw Nederland" de jonge Roomschen aan toch maar christelijke gedichten te gaan schrijven in de trant van Guido Gezelle omdat hun onmid* delijk Godsbesef toch zoo „gevaarlijk" is. En wij ontraden dit formeel, want nog zoo pas in „De Stem" werd Guido Gezelle

voor pantheist versleten „Rire est le propre de 1'homme",

ook nul

— Die Dirk Coster is soms 'n goeie Het lijkt hem een

soort van literaire verplichting dat kristelijke dichters hun gedicht met God eindigen! Godsnegatie is veel minder rethorisch, want niet makkelijk, heet het. „Inde": God is de grootste Rethor! Maar, m'n beste meneer, wat weet jij van onze katholieke „binnenkamer"? Ben jij«zelf Katholiek of ten minste orthodox*kristelijk? Wat ken*je van de inner* lijke ervaringen van een Katholiek? Een inwendige verplicht ting gebiedt ons elke kunst als schoonheids*waarde aan de voet Gods te leggen en in zijn H. Hart te bergen, ja, uit zijn Drieheilig Geheim de inspiratieve liefde te zoeken van ons werk. En Dirk Coster wil doen gelooven dat die verplichting een literaire is?! Geloof me, als God een ijdel epitheton ornans was, zooals bij dichter Van de Voorde,

— die in God noch gebod gelooft — :we zouden aan die „gemakkelijk*literaire oplossing" zegerijk weerstaan".

— Men neemt het de jonge katholieke kunstenaars hoogst

31

Sluiten