Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen stap wagen zonder op jong terrein terecht te komen. Want — zeggen ze — dan maar liever „melodieën" als:

,,'k Zie de gele bladers vallen, Met den zomer is 't gedaan, En 't gehuil van sneeuw en regen Kondigt ons den winter aan",

„J'en passé et des meilleurs", zou Hernani er aan toe* voegen. Daarbij, die melodieuze heer en vergeten dat de Hollandsche Muze onveranderd Bilderdijk in haar mars meedraagt. „II faut plus de pudeur", zei eens een Franskiljon.

— A propos van „melodie". In een vers is de melodie iets van betrekkelijke waarde. Klassisistisch*geschoolde ooren verdragen in de muziek geen Hawaï*guitaar, terwijl primi* tieve ooren om een oratorischer Beethoven weinig geven. Er ligt heel wat ruimte tusschen. De voorstelling wordt echter gevormd alsof melodie in een vers levensorganisch is, net als het rijm. Daar is niets van. Men verwart eenvoudig melodie met klank. Melodie is even als het rijm anorganisch aan poëzie: het is een bijelement, echter verre van noodzakelijk. In tijden van groot verval was ge* woonlijk het melodieuze vers sterk gewaardeerd en „a la mode". De muzikale zeepbellen van Redingius — die het prikje van een scalpel niet verdragen — behooren tot de melodie. Hier een voorbeeld:

„Zonnekindje, wat bemint je

hertje, dat te mijwaart slaat, wou je zingen maar en dansen en bereeknen alle kansen van het spel van rijm en maat?"

Maar de klank van een vers, als het ware de uitwendige

43

Sluiten