Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

3

aanvankelijk nog gemakkelijk in één hoofd vereenigd kon worden, kon in het eerst bij hen langen tijd de philosophie de eenige, ongedeelde wetenschap blijven.

Maar langzamerhand is alles geheel anders geworden. Naarmate men met meer bewustheid begon waar te nemen, groeide het materiaal der wetenschap steeds aan, en ontstonden er vanzelf verschillende groepen van voorwerpen en van vragen, die elk op hun eigene manier moeten behandeld worden, en daardoor verschllende „philosophieën", vakken van onderzoek, van welke elk afzonderlijk weldra aan één geleerde meer dan genoeg te doen gaf. In onzen tijd is het geheele terrein der menschelijke kennis onder de bijzondere wetenschappen verdeeld, en bovendien is men er ook door ondervonden teleurstellingen algemeen van overtuigd geworden, dat datgene, wat langen tijd als de eigenaardige taak der wijsbegeerte beschouwd werd, nl. het diepste wezen der wereld buiten de ervaringswetenschappen om door bloot begripsdenken te verklaren, tot de onmogelijkheden behoort. Zoo rijst dan de vraag: waartoe nog een afzonderlijke philosophie ? Moet zij dienen om aan de bijzondere wetenschappen, nadat deze hun materiaal van feiten hebben verzameld, te leeren, hoe zij van daaruit tot algemeene inzichten behooren te komen ? Niemand, die dit zal willen beweren. De bijzondere wetenschappen zijn zelf bevoegd hun eigen generalisaties te maken. Is het dan het doel der wijsbegeerte: de resultaten der verschillende wetenschappen samen te vatten en tot een hoogere eenheid te verwerken; van al het menschelijk kennen één groot systeem op te bouwen, waarbij dan vooral tot het aanvullen van alle leemten de construeerende phantasie haar diensten kan verrichten ? In dit geval zou de philosophie een kunst van encyclopaedische vereeniging en aesthetische afronding zijn, zonder eigen gebied, zonder vaste inzichten, onophoudelijk blootgesteld aan terechtwijzingen en bestraffingen — niet een wetenschap, die eigen rechten kan doen

Sluiten