Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

Het spreekt van zelf, dat de Grieksche philosophie niet opeens begint. Aan het optreden der zoogenaamde Jonische physiologen, Thales c.s. gaat een tijdperk vooraf, waarin door dichters en zieners in mythen en kosmogonieën (waaronder de Orphische theogoniën een eerste plaats innemen) een antwoord gegeven wordt op die vragen, die zich vanzelf aan den menschelijken geest voordoen: nl. het ontstaan der wereld en de bestemming van den mensch. In dezen tijd werden reeds verscheiden opvattingen uitgesproken, die later in de systemen der eigenlijke philosophen voorkomen, b.v. over het leven als een gevangenschap, waarbij het lichaam als de kerker der ziel wordt voorgesteld, en den mensch de taak wordt gegeven het lichaam te beheerschen, ja door askese (o.a. onthouding van dierlijk voedsel) te bestrijden. In kernachtige spreuken wordt (o.a. door de zoogenaamde zeven wijzen) een schat van praktische levenswijsheid neergelegd, als b.v. „ken u zeiven", „niets te veel", „heersch over uw tong en uw buik", „tracht zoo te leven alsof gij een korten, tevens echter alsof gij een langen levenstijd voor u hebt", enz. Bij al deze mythische voorstellingen en praktische wijsheidsregels sloten zich de oudste wijsgeeren in hunne bespiegelingen aan.

Wij maken nu bij de behandeling der Grieksche philosophie de volgende indeeling.

|| De vóór-Sokratische periode, waarin de wijsbegeerte zich afscheidt vap de theologie en een rationeele verklaring van de verschijnselen der natuur (makrokosmos) wordt gezocht. Men onderscheidt hier vier groepen: A. De Jonische wijsgeeren, welke deels (Thales, Anaximander en Anaximenes) een stoffelijk substraat, deels (Heraklitus) het worden (ontstaan en vergaan) tot principe maken. B. De Eleaten (Xenophanes, Parmenides en Zeno) die het onveranderlijk zijnde, C. De Pythagoraeërs die de getallen en de gestalten als het ware wezen der dingen aannemen. Tot deze twee laatste groepen behooren meest Doriërs. D. De jongere

Sluiten