Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. DE VOOR-SOKRATISCHE PERIODE. A. DE JONISCHE PHILOSOPHIE.

Het is natuurlijk, dat het ontwakende nadenken zich het eerst richt op de buitenwereld. De voorstellingen, die de zinnelijk waargenomen ons omringende wereld ons verstrekt, zijn zooveel helderder en tastbaarder en bestendiger dan de * psychische verschijnselen. Voor het naieve denken is de geest (een vage abstractie, die natuurlijk al vroeg gemaakt wordt) en al wat er in voorvalt iets secundairs en iets vanzelfsprekends. Hij is als een spiegel, waarin de buitenwerels^een ' welgelijkend beeld vormt, welke laatste, juist zooals /zij is, bestaan blijft, ook al wordt de spiegel vernietigd. DaÉer iets vreemds in zou zijn, dat de mensch die buitenwereld kan I kennen, er dus één mee moet zijn en haar op een of andere [manier in zich moet kunnen hebben, komt bij niemand op, en natuurlijk nog veel minder de gedachte, dat die buitenwereld in haar wezen van ons kenvermogen zou kunnen afhangen. En wat het ethische betreft, zoolang de overgeleverde meeningen over wat goed en kwaad is, nog niet geschokt waren, was er geen reden, waarom men zich daarmede zou inlaten. Zoo bleef dus de natuur in het eerst het eenige object dier „verwondering" waaruit volgens Plato alle wijsbegeerte ontstaat. En het is die oude denkers hoog aan te rekenen, dat zij, zich niet neerleggende bij de empirische opvatting van het gegevene en bij de mythische verhalen, die beschreven hoe deze wereld historisch geworden was, naar een rationeele „verklaring" zochten, ook al was hun zelf niet geheel duidelijk, wat zij beoogden.

Zij zagen, dat de dingen, zooals wij ze waarnemen, geen

Sluiten