Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VOOR-SOKRATISCHE PERIODE.

ii

eigenlijk wezen hebben, daar zij onophoudelijk veranderen. Een hoedanigheid, die verloren gaat, kan niet tot het eigenlijke wezen van een ding behooren; zij kan slechts de voorbijgaande toestand van een andere hoedanigheid zijn. De onder alle wisselingen blijvende qualiteiten moeten dus gezocht worden, want eerst deze kunnen het ware wezen der dingen uitmaken; en dit blijven bemerkt men hieraan, dat dezelfde qualiteiten, waaruit de dingen zijn ontstaan, bij hun vergaan weer te voorschijn komen. Het „veranderen" zelf vindt men zeer gewoon; naar een oorzaak wordt niet gevraagd. Alle verandering, alle leven en bewegen, wordt eenvoudig gedacht als „eigenschap" van de stof (hylozoisme). Men wilde het wezen kennen der wereldstof, waaruit de dingen ontstaan en waarin zij terugkeeren; het „principe", de oorsprong der dingen werd het eerste philósophische grondbegrip.

Zoo kwamen de zinnelijke, bewegelijke Joniërs, die, door handel tot welvaart en beschaving geraakt, en de volle schoonheid der poëzie van Homerus en der opkomende lyriek genoten hebbende, zich met jeugdige geestdrift op de wetenschappelijke problemen wierpen, er in hun naief realisme toe, een zinnelijk waarneembare grondstof, tot wier eigenschappen ook het leven behoorde, als absoluut zijnde aan te nemen.

Van datgene, wat deze wijsgeeren geleerd of geschreven hebben, zijn ons maar enkele, op zichzelf staande (meest bij Aristoteles voorkomende) uitspraken bekend, en het is onmogelijk in bijzonderheden uit te maken, wat zij gedacht hebben, of en hoe zij hun denkbeelden tot een logische eenheid verbonden, en hun grondstellingen met de feiten hebben in overeenstemming gebracht. De volgende zijn het meest bekend.

Thales, (omstreeks 600 v. C. te Mikte in Klein-Azië levend, deed aan geometrie en astronomie, een der zeven wijzen).

Volgens hem ontstaat alles uit het water, waarin ook alles weer terugkeert.

Grieksche Wijsbegeerte, 3e druk. 2

Sluiten