Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VOOR-SOKRATISCHE PERIODE.

15

der stoffen met hunne temperatuursverwisseling, leerde hij, dat met het relatieve „uitdooven en weer opvlammen" van het vuur alle stoffen der wereld zich vormen. „Tegen vuur wordt alles ingewisseld en het vuur tegen alles, evenals de dingen tegen goud, en goud tegen de dingen". Met het toenemen der kracht van het vuur ontstaan de fijnere stoffen, in een „weg naar boven", uitloopende op het leven, het reine vuur, de godheid; met het afnemen der kracht ontstaan de grovere, zwaardere stoffen, in een „weg naar beneden".

„De wereld heeft geen der goden noch iemand onder de menschen geschapen, maar zij was altijd en zal altijd zijn een eeuwig levend vuur, dat naar een vaste maat ontvlamt en uitdooft". De godheid bouwt ontelbare malen als een „spelend kind" de wereld en laat haar op den bepaalden tijd weer in vuur opgaan.

Wat de menschelijke ziel betreft, deze staat volgens Heraklitus door haar vurige natuur in verbinding met het algemeene wereldvuur, en komt zoo tot kennis. Hoe vuriger en droger zij is, des te beter en verstandiger is zij, des te meer heeft zij deel aan den algemeenen logos, wordt zij zich bewust van de het heelal beheerschende wetten. „De grenzen der ziel kunt gij niet uitvinden, al zoudt ge ook alle wegen afloopen; zulk een diepen grond (logos) heeft zij". De individueele ziel moet zich ordenen onder „het algemeen geldende", en slechts zoo kan zij opgeruimd en gelukkig zijn. De verstandige moet het aan allen gemeenschappelijke denken evenzoo sterk vasthouden, als de staat aan de wetten, en nog sterker; want alle menschelijke wetten worden gevoed door de ééne goddelijke. De ziel moet niet opgaan in de zinnelijke waarneming, in het eigene. Zonder verstandig denken zijn „oog en oor slechte getuigen". De groote menigte der menschen denkt niet na, maar leeft voort, verblind door den schijn der zinnen.

Sluiten