Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VOOR-SOKRATISCHE PERIODE.

4i

mij dan in mijn handelen laten leiden, dan door het gevoel van aangenaam en onaangenaam, lust en onlust? Gesteld nu, er komt een algemeene opvatting of een wet, die mij verbiedt iets aangenaams, dat ik wil, te doen. Ik kan dan wel, inziende dat ongehoorzaamheid mij schade of verdriet bereiden zal, of ook door geweld verhinderd, die handeling nalaten; maar wat zou mij tot de opvatting kunnen brengen, dat ik die handeling niet behoor te verrichten? Een vreemde wil, of de in een wet zich uitsprekende som van vreemde wilsbepalingen, staat naast mijn wil: elk heeft zijn eigen qualiteit, welke eenvoudig als zoodanig te aanvaarden is. Zedelijke autoriteit kan nooit berusten op den blooten wil van een mensch of een som van menschen. Er zou dan niets anders over blijven dan ze te laten berusten op datgene, dat van den wil der menschen onafhankelijk is, d.i. de natuur der dingen. En daar er nu in de theorie der sophisten over de natuur niets te vinden is, waaruit een den wil bindend heilig ontzag kan worden afgeleid, zoo moeten zij wel aannemen, dat het bestaan van zoo iets maar schijnbaar is, en dat alle onderscheidingen van goed en kwaad, recht en onrecht, slechts door conventie ontstane, of door den wil van machthebbenden gevormde, menschelijke producten zijn, waarbij dan vooral het feit welkom is, dat bij verschillende volkeren in verschillende tijden met dezelfde heilige overtuiging allerlei tegenstrijdige dingen als goed zijn gedecreteerd, en dat de wetten voortdurend worden gewijzigd en door andere vervangen. Nu zijn allen hierbij niet zoo radicaal als een Kallikles en een Thrasymachus, die (als axioma aannemend dat goed is, wat gelukkig maakt en dat het geluk bestaat in het doen vap wat men wil en begeert, en er op wijzend, dat de rechtvaardigheid te betrachten met onderdrukking van eigen begeerten niet een geluk is voor hem, die ze betracht, maar wel voor hem, tegenover wien zij betracht wordt), bewezen dat onrecht doen, mits men de macht heeft om het ongestraft, of de handigheid om het

Sluiten