Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

geen begeerte naar hebben, en degenen, die bij hen eer en macht hadden, zou hij niet benijden. Als hij echter weer in het hol neerdaalde zouden hem, zoo plotseling uit het zonlicht komende, de oogen vol duisternis zijn en hij zou langen tijd niet in staat zijn weer die schaduwen te zien, zoodat zijn medegevangenen zouden zeggen, dat hij met bedorven oogen was teruggekeerd en dat het niet de moeite waard was te beproeven boven te komen. — Vergelijk dit beeld nu met de menschelijke kennis. Wij stellen het gebied van het zichtbare met het gevangenverblijf gelijk, en het licht van het vuur daarin met de kracht der zon; en het zich verheffen der ziel in de wereld van het denkbare (ideeënwereld) vergelijken wij mét het opstijgen paar boven en het beschouwen der boven op de aarde zijnde dingen. God mag weten, of deze mijne voorstelling waar is. Maar wat ik zie, dat zie ik zoo, dat ten slotte onder al het kenbare en slechts met moeite de Idee van het Goede (de godheid) wordt aanschouwd, wanneer men haar echter aanschouwd heeft, zij ook daarvoor aangezien en erkend wordt, dat zij voor allen de oorzaak van al het goede en schoone is, in het zichtbare het licht en diens heer voortbrengend, in het denkbare echter als heerscheres alle waarheid en verstand bewerkend, en dat Haar in het oog moet houden, alwie redelijk handelen wil, zoowel in zijp eigen zaken als in die van den staat".

Deze grondgedaohte van Plato's leer heeft voortgewerkt diep in. het geestesleven van de edelste denkers. Na hem zal men het niet weer loslaten, dat het ware wezen der dingen, het hoogste object van onze liefde en geestdrift, het einddoel van al ons streven, de bron van alles wat schoon en goed is, buiten onze menschelijke spheer ligt, en dat al het ip den tijd verschijnende eerst waarde heeft, als het de uitdrukking is van het Eeuwige.

Sluiten