Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BLOEITIJDPERK DER PHILOSOPHIE.

89

uit als waar erkende gegeven oordeelen andere met zekerheid kunnen worden afgeleid, waarbij dan verschillende figuren onderscheiden worden, naarmate van de plaats die het middenbegrip (medium, de grond) in de beide premissen (major en minor) inneemt.

Als de geheele wetenschap een voltooid systeem is, moet dus elke waarheid kunnen worden bewezen en afgeleid. Daaruit volgt vanzelf, dat, daar dit afleiden niet tot in het oneindige door kan gaan, er zekere waarheden zijn, die zelf niet meer bewezen kunnen worden, maar onmiddellijk evident zijn. Hiertoe behooren ie. de axioma's die alle kennen en weten beheerschen, b.v. het principium contradictionis ') en 2e. de aan de verschillende wetenschappen eigen grondbegrippen. Het ware te wenschen, dat Aristoteles niet bij deze aanduiding was gebleven, maar getracht had die verschillende wetenschappelijke grondwaarheden te verzamelen. Want nu blijft het vrij onbepaald, welk aandeel de geest met zijn eeuwige waarheden en de (uit de op zichzelf toevallige feiten gewonnen) empirische begrippen in het tot Stand komen onzer wetenschap hebben. Dit staat vast: het bijzondere leeren wij uit de ervaring, uit de zinnelijke waarneming, die ons met de individuen, de concrete dingen, de feiten in aanraking brengt, en door de inductie verkrijgen wij dan algemeene inzichten. Deze inductie (epagoge) heeft haar naam van het laten oprukken van nieuwe troepen in het gevecht en is, oppervlakkig gesproken, het leeren kennen van het algemeen geldige door het bijzondere. Ik neem in de ervaring waar, dat A.B.C. enz. sterven en dus sterfelijk zijn. Nu zijn A.B.C. enz. menschen. Derhalve zijn alle menschen sterfelijk, of: de mensch is sterfelijk. Op deze wijze wordt uit den aard der zaak niet terstond logische zekerheid bereikt; deze ontstaat slechts langzamerhand. Naarmate de verschijnselen zich door dat algemeene laten verklaren en de verschil1) Het is onmogelijk, dat een A zoowel B als niet-B is.

Sluiten