Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BLOEITIJDPERK DER PHILOSOPHIE.

97

zijnde te verklaren *). Blijkbaar meent hij deze vormen, die wij met betrekkelijk geringe moeite ontdekken, volkomen te kennen en te begrijpen; zij zijn voor hem niets geheimzinnigs. Het lijkt ook zeer eenvoudig. Ik sta voor een eik; een bepaald wezen, geheel anders dan het wezen van een beuk, is in deze bepaalde stof verwerkelijkt, openbaart zich op dit oogenblik aan mij, en daar dit bepaalde wezen niets toevalligs is en ik het dus al van vroeger ken, zeg ik: „dit is een eik".

Daartegenover zien wij nieuweren in, dat deze zoo eenvoudig schijnende handeling in den grond volmaakt onbegrijpelijk is. Wat een individu is, verklaren wij niet te doorgronden. Wij zien wel, dat het verschijnen der dingen in geslachten, soorten en individuen samenhangt met de eigenaardige natuur van ruimte en tijd. Maar deze juist, die hun deelen met zulk een ijzeren dwang buiten elkaar houden, tevens echter zoo, dat die deelen in hun gelijksoortig wezen elkaar weer even dwingend opeischen en voor elkaar onont-

i) Dit probleem gaf later in de scholastiek aanleiding tot den strijd tusschen nominalisten en realisten, waarvan de eersten aannamen dat de algemeene begrippen (universalia) bloote namen waren, de anderen dat zij (ante rem of in re) werkelijk existeerden. Schopenhauer zegt (Parerga, I pg. 70: „Die verschiedenartigsten Dinge nenne ich roth, wenn sie diese Farbe baben. Offenbar ist roth ein blosser Name, durch den ich diese Erscheinung bezeichne, gleichviel woran sie vorkomme. Eben so nun sind alle Gemeinbegriffe blosze Namen, Eigenschaften zu bezeichnen, die an verschiedenen Dingen vorkommen: diese Dinge hingegen sind das Wirkliche und Reale. So hat der Nominalismus offenbar Recht. — Hingegen wenn wir beachten, dasz alle jene wirklichen Dinge, welchen allein die Realitat soeben zugesprochen wurde, zeitlich sind, folglich bald untergehen; wahrend die Eigenschaften wie Roth, Hart, Weich, Lebendig, Pflanze, Pferd, Mensch, welche es sind, die jene Namen bezeichnen, davon unangefochten fortbestehn und demzufolge allezeit dasind; so finden wir, dasz diese Eigenschaften, welche eben dnrch Gemeinbegriffe, deren Bezeichnung jene Namen sind, gedacht werden, kraft ihrer unvertilgbaren Existenz, viel mehr Realitat haben; dasz mithin diese den Begriffen, nicht den Einzelwesen beizulegen sei: demnach hat der Realismus Recht. — Der Nominalismus führt eigentlich zum Materialismus; denn, nach Aufhebung sammtItcher Eigenschaften, bleibt am Ende nur die Materie übrig. Sind nun die Begriffe blosze Namen, die Einzeldinge aber das Reale: ihre Eigenschaften, als einzelne an innen, verganglich, so bleibt als das Fortbestehende, mithin Reale, allein die Materie".

Sluiten