Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

ook geen dingen te kennen, maar wel wetten waaraan de dingen zijn onderworpen. En deze wetten hebben niets substantieels, maar zijn wezenlooze, abstracte begripsverbindingen; hoewel zij nergens „existeeren", hebben zij toch een hooge realiteit. Dit is het, wat men bij Aristoteles voortdurend mist: het begrip der physische noodzakelijkheid. Door zijn naief realisme is voor hem de „werkelijkheid" het hoogste; want daarin zijn immers de „dingen" gegeven. Zoo gaat voor hem de absoluut onontbeerlijke, door Plato begonnen onderscheiding van phaenomena en noümena verloren. Want met onze wetenschap is het vreemd gesteld. Al ons kennen is gericht op iets dat niet dit kennen zelf is, en ons tooh alleen I s in dat kennen is gegeven. De wetten, die wij in de wetenschap . vinden, en die een noodzakelijk verband in de natuur uitdrukken, zijn, hoe eindeloos veel en velerlei zij ook mogen omvatten, slechts speciale gevallen van de grondwetten van ons kennen. Hoe is dit mogelijk, dat specificaties van onze subjectieve kenwetten de uitdrukking zouden zijn van een objectiviteit? Alleen hierdoor, dat onze relatieve syntheses, die ons altijd verder dringen en ons altijd naar verdere gronden doen zoeken, hun hoogste samenvattende eenheid vinden in het begrip (de Idee) van het Absolute. Die hoogere eenheid, kunnen we van het standpunt onzer zinnelijkheid niet inzien, wij kunnen ze alleen postuleeren. Zij moet er zijn, of al ons kennen is louter inbeelding. Als een principe in den waren zin des woords bepaalt zij al ons denken en kennen, als een lichtende ster wijst zij ons den weg in ons wetenschappelijk onderzoek. Maar alleen in ons denken kunnen we ons die hoogste eenheid bewust worden; zij is een noümenon, en nooit als een zinnelijk object voor te stellen, hoe groot voor ons in onze zwakheid de verleiding moge zijn haar in onze zinnelijke spheer neer te trekken en tot een phaepomenon te verlagen. Hoe meer de wetenschap vordert, hoe hooger onze begrippen opklimmen en hoe meer de syntheses samen stemmen, en de groote lijnen

Sluiten