Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

om voor hun nieuwe ideeën vrije baan te krijgen Hoe weinig Aristoteles, die dikwijls als de vader der empirie wordt voorgesteld, aan zijn eigen principes getrouw blijft, blijkt

i) Om het gewicht der zaak mogen hier nog de volgende beschouwingen een plaats vinden. „Er zijn drie verschillende soorten van kennis, empirische, mathematische en philósophische. Elk van deze drie draagt een ander karakter: toevalligheid en aanschouwelijkheid komt aan de empirische, aanschouwelijkheid en noodzakelijkheid aan de mathematische, noodzakelijkheid zonder aanschouwelijkheid komt aan de philósophische kenwijze toe. Het geheel der menschelijke wetenschap bestaat uit de verbinding en de vereeniging van onze empirische, mathematische en philósophische kennis. Be empirische kennis geeft de feiien en daarmede de stof, de mathem. en phil. brengen den vorm van deze stof aan ... . Zuivere wiskunde en zuivere philosophie stellen hunne apodiktische waarheden op zichzelve op, zonder er de verklaring van te geven. De verklaring van den samenhang der feiten uit de wetten wordt dan eerst de taak der Theorie .... Men dwaalt dus als men meent, dat alle menschelijke kennis zich uit één bron laat afleiden De waarheid der feiten is niet in de waarheid der wetten bevat, maar de feiten zijn alleen onder de wet met elkaar verbonden. Uit de wet alleen kan nooit het werkelijke, maar slechts de mogelijkheid van de afzonderlijke gevallen en de noodzakelijkheid van het algemeene bepaald worden. Aan den anderen kant laat zich geen feit op zich zelf alleen met noodzakelijkheid bepalen; maar alleen, als een feit werkelijk gegeven is, laat zich naar een wet het noodwendig gevolg daarvan bepalen .... De toevallige kennis van feiten en het inzicht in de noodzakelijke wetten worden dus niet onderscheiden naar graden van zekerheid, maar staan in onze kennis met geüjkeobjectieve geldigheid naast elkaar .... Het opmerkelijke in de verbinding van de ongelijksoortige bestanddeelen onzer kennis tot een geheel, is de eigenaardige plaats die de mathematische kennis inneemt tusschen de philósophische en empirische. De mathematische kennis heeft met de empirische de aanschouwelijkheid en met de philósophische de aprioriteit gemeen en wordt daardoor het verbindingslid tusschen beide. Zij brengt nl. aan den eenen kant (krachtens hare noodzakelijkheid) den regel aan voor het empirische feit, andererzijds (krachtens hare aanschouwelijkheid) datgeen, waarop de philósophische regel kan worden aangewend. Alle rijen van grond en gevolg worden door de beide grondvoorstellingen van ruimte en tijd in onze kennis ingevoerd. Alle afleiden van gevolgen uit hunne gronden komt in de zuivere aanschouwing door synthese tot stand, wier mogelijkheid op ruimte en tijd berust . . . Philósophische en mathematische kennis zijn als kennis a priori gelijksoortig. Er bestaat dus een directe verbinding tusschen de philósophische natuurwetgeving en de mathematika. De aanwending van de wiskunde op de philósophische natuurwetten vormt een afzonderlijke wetenschap, de mathematische natuurphilosophie, die zich zonder inductie volkomen systematisch uit hare principes ontwikkelt. De wetten, welke deze _ wetenschap in hare theorema's ontwikkelt, kunnen echter met de ervaring niet anders in verbinding komen, dan door inductie. De inductie is de brug, die van de feiten naar de wetten, van de toevallige waarheden der zinnelijke aanschouwing naar de noodzakelijke waarheden van de rede leidt". Apelt. Theorie der Induction, pg. 67 vlgd.

Sluiten