Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BLOEITIJDPERK DER PHILOSOPHIE.

105

duidelijk uit zijn physische en astronomische theoriën. In plaats van met de ervaring te rade te gaan, verdiept hij zich in allerlei bespiegelingen en bepaalt uit zorgvuldig geprepareerde astracte begrippen, hoe de natuur behoort te wezen. Zoo construeert hij, zich in vele bijzonderheden bij Empedokles aansluitend, een scheikunde a priori, en bewijst, de veel juistere voorstellingen der Pythagoraëers en Platonici verdringend, dat de aarde jn het midden van het zuiver bolvormige heelal rustend is, dat de zon en maan en planeten door allerlei geesten geleid, in spheren zich om de aarde bewegen, waaromheen dan weer aan het uiterste eind der wereld, buiten hetwelk alle ruimte en tijd ophoudt, het boloppervlak, met de tallooze vaste sterren daaraan vastgehecht, zich in een kring ronddraait en wel met de volmaakste beweging, daar het zich het dichtst bij de Godheid bevindt.

Voor de studie der organische natuur (morphologie, anatomie, physiologie van planten en dieren) heeft Aristoteles zich ongetwijfeld groote verdiensten verworven. Hier treden zijn talenten als natuuronderzoeker duidelijk aan het licht, en hier heeft hij ook de beste gelegenheid zijn methode van onderzoek toe te passen. — De natuur, in haar doelnastrevend Wezen brengt volgens hem door telkens volmaakter onderwerping van de stof aan den vorm een geleidelijke, continueele opklimming van het laagste tot het hoogste tot stand; van de levenslooze natuurstoffen wier entelechie alleen bestaat in bepaalde verhoudingen bij de vermenging der elementen, stijgt zij op tot de planten, vandaar tot de dieren tot zij eindelijk komt bij den mensch, en wel zoo, dat men in het hooger georganiseerde telkens al de functies der lageren aantreft. Zoowel planten, dieren als menschen hebben een ziel, want zij hebben een principe van zelfbeweging, en dus werkt in hen een meer of minder hoogstaande vorm (als bewegende oorzaak). De ziel is namelijk ,,de eerste verwerkelijking van een organisch lichaam, dat de vatbaarheid tot leven bezit", of,

Sluiten