Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io8

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

om de empirische feiten en hun samenhang nauwkeurig waar te nemen, en hij niet gemeend had eene verder dan het waargenomenê gaande verklaring daarvan te kunnen geven, waarvoor in zijn tijd de voorwaarden nog niet vervuld waren. Terwijl hij echter de algemeene klassebegrippen, onder welke hij de feiten verzamelt en rangschikt, terstond als reëele vermogens der ziel, ja, als verschillende zielen denkt, die de oorzaken der verschijnselen zouden zijn, heeft hij de geregelde ontwikkeling eener wetenschappelijke psychologie belemmerd. Men mag echter niet onopgemerkt laten, dat bij Aristoteles in weerwil van alle onderscheiding der zielsvermogens en vooral van de scherpe afscheiding van het verstand toch een op eenheid berustende samenhang der zielswerkzaamheid doorschemert".

D e E t h i e k. Nadat Sokrates tot de ethische onderzoekingen den stoot gegeven, en Plato de belangrijkste ethische kwesties in verschillende dialogen behandeld had, heeft Anstoteles (in zijn beroemde Ethika Nikomachëa, waarbij zich zijn Politika aansluit) het eerst de praktische philosophie systematisch als een wetenschap ontwikkeld. Hij gaat hierbij niet als Plato, uit van de idee van het goede, maar van het goede, als eene door het menschelijk handelen bereikbare werkelijkheid. De alomvattende ethische wetenschap is voor hem de Politika, of de leer van datgene, waardoor men goed wordt. De leer van wat goed is, vormt daarvan slechts een onderdeel. „Want niet opdat wij weten wat de deugd is, stellen wij ons onderzoek in, maar opdat wij goed worden. Immersanders zouden wij er geen nut van hebben". En daar nu de ethische regels betrekking hebben op het handelen m de empirische wereld, waar alles zwevend is, waar de dingen ook anders zijn kunnen en zich op een nooit volkomen vooruit te berekenen wijze kunnen combineeren, gaat het niet aan, van de ethiek strenge wetenschap te eischen. Zij kan slechts dat-

Sluiten