Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•124

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

de logika de omtuining, de physika de bodem, de ethika de vmchten zijn.

Tot de logika rekenen de Stoici ook taalkundige en rhetorische onderzoekingen, waarin zij zich groote verdiensten verwierven; zij hebben de grondslagen gelegd voor de grammatika, en bijna alle kunsttermen daarvoor uitgevonden. In 't algemeen hadden de Stoici een zeer uitgewerkte terminologie, waarvan zij zich menigmaal niet zonder een zekere pedanterie bedienen. — Verder hebben zij getracht een theorie over het ontstaan van onze kennis te leveren, en de vraag naar een kriterium (kenteeken) van de waarheid onzer voorstellingen opgeworpen, een vraag, die door de verkeerde manier waarop zij gesteld werd, tot vrijwat onvruchtbaar geredeneer aanleiding heeft gegeven.

Ook de Stoici gaan naief-realistisch uit van een wereld van objecten, die eenvoudig voorhanden zijn, en een ziel, die oorspronkelijk een onbeschreven blad is, en waarop dan langzamerhand zich die objecten afbeelden, evenals een zegelring zich in het was afdrukt. Als de ziel nu lang genoeg aan de inwerking der objecten is blootgesteld geweest, vormen zich vanzelf, doordat de herinnering het gelijksoortige verbindt, algemeene voorstellingen, die bij alle menschen dezelfde zijn en waarop wij kunnen vertrouwen, omdat zij steeds door de ervaring bevestigd worden. Door onze ervaring van de werkelijke dingen steeds meer uit te breiden, en opzettelijk te reflecteeren en regels te zoeken, komen we dan tot systematische wetenschap die op het algemeene betrekking heeft. Gelijk men ziet, wordt hier maar als iets van zelf sprekends aangenomen, dat de synthetische eenheid van het denken, die zich in een oordeel openbaart, zich uit de passieve toestanden der ziel (want dat zijn immers de indrukken, die de objecten maken) ontwikkelt. — Hoe kunnen we nu weten, welke voorstellingen in ons waar zijn en welke valsch; door welk kenmerk kunnen we de ware voorstellingen van de bloote

Sluiten