Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ETHISCHE SECTEN.

129

overtreding van het zedelijk gebod aanlokken, niet wil weerstaan, en deze gezindheid is eigenlijk de ware vijand".

Evenals men niets in de wereld onbeperkt „goed" noemen kan, dan alleen een goeden wil, evenzoo kan ook het praedicaat „zedelijk slecht" in den strengen zin alleen toegekend worden aan een het goede tegenstrevenden zuil. Wij komen hier in de moeilijkste problemen, onoplosbaar voor het menschelijk denken. „Het is een zeer gewone veronderstelling der moraalphilosophie" zegt Kant, „dat het bestaan van het zedelijkbooze in den mensch zich heel gemakkelijk laat verklaren, en wel uit de macht van de drijfveeren der zinnelijkheid eenerzij ds, en uit de onmacht van de drijfveer der rede (achting voor de zedewet) aan de andere zijde, d.i. uit zwakheid. Maar dan moest het zedelijk-goede (in den moreelen aanleg) in hem zich nog gemakkelijker laten verklaren, want de begrijpelijkheid van het eene is, zonder die van het andere, in het geheel niet denkbaar. Maar nu is het vermogen der rede, om door de bloote idee van een wet alle tegenstrevende drijfveeren meester te worden, eenvoudig onverklaarbaar; en zoo is het ook onbegrijpelijk, hoe de zinnelijkheid over eene met zulk een gezag gebiedende rede de overhand zou kunnen krijgen. Want als de geheele wereld overeenkomstig het voorschrift der wet handelde, dan zou men zeggen, dat alles volgens de natuurlijke orde toeging, en niemand zou het in zijn hoofd krijgen, naar de oorzaak te vragen".

Nog een ander bezwaar is er tegen de leer der Stoa. Het hoogste goed, als het object van het begeeren van een eindig, zinnelijk-redelijk wezen, bestaat uit twee afzonderlijke deelen: de hoogste deugd en de hoogste zaligheid. Want „de behoefte te gevoelen aan zaligheid; die zaligheid waardig te zijn en haar toch niet deelachtig te worden" is onbestaanbaar met het volmaakte willen van een redelijk wezen. Maar nu komt er deze moeilijkheid. Als ons de rede den eisch stek, dat wij volmaakt goed zijn, en ons begeeren verlangt, dat wij volmaakt

Sluiten