Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

gelukkig zijn, dan moet het, zal dit alles geen zelfbedrog en ijdele voorspiegeling zijn, mogelijk wezen, dat die eisch en dat verlangen vervuld worden. De Stoa gevoelt dit, maar begaat de fout, de mogelijkheid dier vervulling in dit aardsche leven te stellen. En het is te verklaren, dat zij daartoe komt. Het schijnt ongerijmd te zijn, dat een gebod aan den mensch als zoodanig gegeven, nergens door een mensch zou kunnen volbracht worden. De strijd zelf tegen de neigingen kan toch de deugd niet zijn! Deze moet een toestand, een voortdurend van de beteekenis der wet doordrongen-zijn wezen, een zijn, niet een nooit voleindigde, steeds mislukkende actie. Zoo stelden zij den graad der deugd, die voor de volkomen gehoorzaamheid aan de reine zedewet noodig is, als in dit leven bereikbaar voor, en wilden ook niet toegeven dat de gelukzaligheid voor den wijze, die toch een eindig, willend mensch blijft, een afzonderlijk bestanddeel van het hoogste goed zijn zou. Het gevolg was, dat zij den wijze als een godheid van de natuur geheel onafhankelijk maakten; hem wel aan alle rampen van het leven blootstelden, maar niet onderwierpen, terwijl zij zijn bevrediging alleen in het handelen en in de tevredenheid met zijn persoonlijke waarde stelden, en zoo in het bewustzijn der zedelijke gezindheid lieten opgesloten zijn. Nu voelden zij zelf hiervan natuurlijk de bezwaren onophoudelijk. Vandaar die eindelooze disputen ,,of werkelijk de deugd, geheel op zich zelf, voor het gelukkig leven toereikend is, dan wel, of daarvoor toch nog iets uiterlijks vereisen^ wordt; of de deugdzame en de wijze ook op de folterbank of op het rad, of in den stier van Phalaris gelukkig is, dan wel, of men toch zoover met de deugd niet komt". Want de gelukzaligheid vloeit voort uit het bewustzijn van het bezit der redelijkheid, en kan dus niet in gescheiden, aparte momenten vallen.

Zoo kwamen de Stoici er dan ook toe, de menschen in twee soorten te verdeelen, wijzen (goeden) en dwazen (slechten).

Sluiten