Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE NEO-PLATONISCHE SCHOOL.

149

ontspringt; en ook, dat zij uit zichzelf veel toevoegen . . . . zooals ook Phidias zijn Zeus niet naar een zichtbaar voorwerp gevormd heeft, maar zoo als Zeus er zou uitzien, wanneer hij eens voor onze oogen zou verschijnen".

Het spreekt van zelf, dat voor Plotinus het hoogere leven der ziel bestaat in een zich afkeeren van de wereld, een zich „reinigen" van de zinnelijkheid. Het hoogste wat voor haar is weggelegd, is: God te kennen. Maar hoe kan zij, als het eindige, het oneindige kennen, d.i. daarmede één zijn? Door dialektiek en het beschouwen van het schoone kan zij wel tot het intelligibele opklimmen, maar de hoogste eenheid, die zelf boven allen vorm verheven is, kan zij door geen denken, geen idee-aanschouwen bereiken; dit kan slechts door een onmiddellijke inwendige aanschouwing, waardoor de ziel in de godheid opgaande, in een mystieke verrukking (ekstasis, extase), haar zelfbewustzijn verliezend, een onuitsprekelijke zaligheid deelachtig wordt. Deze toestand is in dit leven uit den aard der zaak voorbijgaand en komt zelden voor; Porphyrius vertelt, dat Plotinus viermaal deze extase aan zich heeft ervaren, hij zelf in zijn geheele leven slechts eenmaal.

Langzamerhand won het Christendom veld en de strijd der Neo-Platonici tegen deze geweldige geestelijke macht was vruchteloos. Nog meer dan twee eeuwen na Plotinus bleef de Neo-Platonische school bestaan en maakte zich voornamelijk door het verklaren en commentarieeren van Platonische en Aristotelische werken nog verdienstelijk; — zoo ook de geleerde Simplicius.

In het jaar 529 werd door keizer Justinianus de Akademie te Athene gesloten en het verdere onderwijs in de grieksche wijsbegeerte verboden.

Sluiten