Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den aard en het weezen van Wagner's muziek begreep dan Wagner zelf. Omdat hij verheeven muziekale gedachten koppelde aan een veel lager soort dramatische tekst.

Iets dergelijks is omtrent Bach te zeggen. Wij, die in elke modulatie, in elk accoord, in elke polyphonie van Bach, de stemmen der zaligen en de mystieke sfeer van hooger har* monie herkennen, — wij vinden het stuitend als hij met dien reegen van heilige welluidendheid, triviale zaken — zooals een kop koffie en een pijp tabak — omsproeit. Voor Bach zelf was dat niet zoo erg. Hij had altijd muziek, voor alles, en het felle contrast tusschen de hoogere waereld, waar ze van daan kwam, en de triviale pruikenwaereld om hem heen, voelde hij niet als wij.

Daarom is die zoogenaamde waereldlijke cantate, de strijd tusschen Phoebus en Pan, tot een raar onding geworden, waarmee wij verleegen zitten en dat we maar liever met rust moesten laten.

De hoorders verneemen de eigendommelijke modulaties en harmonieën, die voor hen altijd met religieuze gevoelens zijn geassocieerd, en daarbij geeft het tekstboekje hen ge* dachten, die er in 't geheel niet bij hooren. Niet te ver* wonderen dus, dat ze eenigszins onrustig en verleegen rond* keeken, onzeeker welke stem ze vertrouwen, welke schoon* heid ze bewonderen moesten.

Bach spreekt het beste tot ons in zijn meest eenvoudig* muziekale intensiteit. Zoeken wij bekende menschelijke smart en weemoed, waarbij woord en muziek harmonisch samen* gaan, dan luisteren we liever naar Wolff'sche liederen, vooral als die zoo schoon worden weergegeeven als door mevrouw Stronck*Kappel in de ronde Luthersche kerk.

(1915)

13

Sluiten