Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het mag verwonderlijk klinken, maar het moet gezegd, dat Gorter ontbeert, wat door Goethe het grootste voorrecht van den dichter werd genoemd, de goede smaak. Nadat hij zijn eerste toonen zuiver had gezongen, en de gulle erken* ning dier nieuwe klankschoonheid zijn zelfvertrouwen al te zeer had versterkt — deed hij dissonanten hooren, zoo on* waarschijnlijk kras, dat ze aan de buitenspoorigheid der futuristen doen denken. In elk nieuw werk van Gorter, tot heeden toe, kan men die smakeloosheeden vinden. En men herkent in het werk van Henriette Holst dezelfde zwakheid, hoewel in veel ligter graad, en altijd als getemperd en gered door de gevoelskracht van haar liefdevolle ziel.

Op de eerste pagina van „Het Feest der gedachtenis" vindt men reeds deezen reegel:

„de zon die aan den hemel stond te roemen"

en terstond komt de herinnering op aan een reegel van Gorter — waarvan reeds vroeger door mij de zotte smakeloosheid werd opgemerkt — van „de maan" die aan den heemel „loopt te koopen".

De expressie van Henriette Holst is minder dwaas, en van zuiverder gehalte. Maar toch is ze niet fraai, en zelfs min of meer potsierlijk. Dat de zon „roemt" of praalt, kan gezegd worden, maar het „staan roemen" van een zoo ver* heeven weezen als de zon, is een uitdrukking die hindert door lage associaties.

Zulke Gortersche dissonanten zijn door het gansche werk te vinden. Maar ik bedoel allerminst, dat zij de waardeering en de eerbied voor het schoone kunstwerk aanmerkelijk zouden schaden.

„Het Feest der gedachtenis" is een forsch en machtig werk, een sterke, voltooide conceptie.

Zooals Verwey het dichterschap verteegenwoordigt — het dichterschap in engeren zin, (met een kleine d) — en Jacob Israël de Haan het joodsche volk, zoo verteegenwoordigt

30

Sluiten