Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allergrootsten spreekt de stem der menschheid, het tot één Weezen, den Christus, verbroederde menschenras.l)

Geen natie bestaat er, van zoo groote eenheid, van zoo innig rassbesef, als het Joodsche volk. En ik weet geen enkelen nationalen dichter die zulk sterk, zulk noodwendig werk maakt als Jacob Israël de Haan.

De Jooden moogen zich assimileeren, ze moogen in de verschillende naties de nationale deugden en kwaliteiten met hun eigen Joodsche kracht tot expressie brengen, ze moogen zelfs als vijanden elkaar bekampen, ieder in zijn eigen natio* naliteit — toch blijven ze één joodsch ras, met onmiskenbare joodsche eigenschappen, waarvoor maar één gevaar dreigt, waarvoor dan ook eeven ernstig wordt gewaarschuuwd als bij alle zuivere rassen: vermenging met vreemden.

Hier ligt de grootheid en het bijzondere van De Haan's verzen, en zijne zwakte.

De Rasgeest die hem zijn verzen ingeeft, is niet de hoogste en heiligste der menschheid. Het is niet het Eene Weezen, waarin de gansche mensch*bevolking deezer planeet haar eenheid vindt. Maar Hij is hooger en heiliger dan de geest van één Europeesche natie.

En daarom is het dat deeze joodsche dichter met sterke stem, deeze naties allen kan toespreeken als een machtshebbende. Hij spreekt met een ernst, een woord*geweld, een klassieke kracht, waar teegen geen enkel nationaal dichter in Europa is opgewassen.

Jacob Israël is nooit rhetorisch, veel minder nog dan Verwey, en toch spreekt hij met de strenge hoogheid, waar* naar rhetoriek vruchteloos streeft, en die ze in holle galmen nabootst.

Klanken van zulk eene waereld*beteekenis, zoozeer stand* houdend in den grooten, wilden tijd van beroering, zijn in ons land sints Vondel niet gehoord.

■j Dit schreef ik in 1916.

37

37

Sluiten