Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit joodsche lied is zelden liefelijk, het is minder zangerig dan veel Hollandsche dichters, minder melodisch zelfs dan Verwey en Henriette Holst, die toch ook niet zijn, wat men vroeger als lof „zoetvloeyend" noemde.

Maar noch de dichter van het dichterschap, noch de zan* geres der vrouwen heeft zoozeer de waerelckmaat in het vers gebracht, als deeze dichter der Jooden.

Al het provinciale, dat nog schuilt in het werk onzer beste dichters, is hier verdweenen. Dat komt omdat de geest, die ze ingaf, machtiger is dan die der minder natuurlijk vereende groepen, en spreekt uit ziels*diepte, niet uit min of meer intellektueele oovertuiging.

Het socialisme van Gorter en Henriette Holst is voor een groot deel bedenksel en systeem, het joodendom van De Haan is één leevende weezenheid.

Hoor, hoe hij Rusland toespreekt, met de heftigheid en de zware intonatie der Hebreeuwsche profeeten: „Uw wrange mond mag bitter water drinken gelijk gij mijn volk kwelt met bitterheid

Uw blank graan zal Hij walgelijk verminken gelijk gij de walg van de volken zijt."

Welk Nederlandsch dichter heeft zulk een toon gevoerd zonder belachelijk te zijn?

Jacob Israël is discipel van Verwey. Hij heeft van hem geleerd, hoe men deugdelijke verzen maakt, expressief zonder holheid. En hij heeft, eevenals Verwey, het ruige stroeve ritme, dat liever afwijkt van de mélodie dan van de echte émo tie.

Maar hij heeft meer hartstocht en meer smaak dan Verwey, zoodat we bij hem niet vinden de bepaald leelijke, gewron* gen zeggingen, en ook nooit het verveelende, zwak geémotio» neerde dat zooveel van Verwey's werk, al is het niet slecht, toch oninteressant maakt voor den nietJiterairen leezer.

In de Haan's vers is het zich Jood gevoelen de scheering.

38

Sluiten