Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu komt, onverwacht, een dreigend onheil, vreemde oover* heersching. Het militarisme van Pruisen bedreigt ons. De Hollander zegt: „hen navolgen? dat nooitl"

Goed! — maar weet de Hollander wat dat beduidt?

Dat beteekent martelaarschap.

De vrijheid die wij begeeren, kan alleen door zelfverlooche* ning worden gekocht. Een volk dat vrijheid wil, moet iets in zich hebben van den Spartaan.

Wil hij, uit een verheeven beginsel, niet vechten, dan moet hij kunnen lijden en zich verloochenen.

Daartoe zie ik den Hollander allerminst in staat.

Wij hebben, met veel moeite, een reedelijk leeger bij elkaar. Herhaaldelijk koomen uit dat leeger berichten van insub* ordinatie. Er zijn officieren beleedigd, er worden orders ge* woon geweigerd, en zoo voort. Naar ik hoor is het gehalte der manschappen goed, ze zijn gewillig, geduldig, vlijtig, ze doen hun best. Maar men moet niet met straffe tucht aan* komen, dan heet het: „Zeg nou! geen Jan Klaassen!"

En boovendien koomen nu de vrijheidsdweepers, de anti* militaristen, en trachten verzet te brengen teegen de poogin* gen tot weerbaarheid.

Dat zou mooi zijn, als het bij het gansche volk diepe, heüige ernst was. Ik ken enkele mannen, bij wie het ernst is.

Zij zouden zeggen, als de Pruissische tucht hier werd in* gevoerd „fusileer mij maar, de moordenaar is er erger aan toe dan de vermoorde."

Maar geldt dat voor den gemiddelden Hollander?

Goeie heemel! — men denke eens aan de houding van onze soldaten, in 't geval dat de Pruissische Feldwebels hen de paradepas wilden leeren, of iets van die kracht.

„Ben je nou heelemaal bedonderd!" zou het heeten.

Ik heb eenige ondervinding van ons volk. Het zijn goed* hartige, vlijtige, maar geducht koppige, en in hun idealisme

42

Sluiten